Dit is het begin van de dennenhausse

Wat kun je zien op plaatsen waar op het eerste gezicht niet zo veel is te zien? Een zomerse serie reportages door heel Nederland. Deel 5, het Loobos, een voormalig productiebos bij Kootwijk.

©

Elke boswandeling heeft zijn dennenbos. De stammen kaal en recht, de roestbruine schors bladdert, bovenin een kruintje lange naalden. We kennen naaldbossen niet anders. We nemen ze voor kennisgeving aan.

Dat is niet terecht.

©

Ja, er zijn bijna evenveel grove dennen als mensen in Nederland. Pinus sylvestris is de meest voorkomende boom. Maar dat is nu. We leven in de hoogconjunctuur van het Nederlandse naaldbos. Honderd jaar geleden bestonden die onafzienbare dennenregimenten niet. En over honderd jaar kan dit bos een herinnering zijn uit de 21ste eeuw.

Het Loobos van Staatsbosbeheer, op de Veluwe bij Kootwijk, is zo’n bos met vooral dennen. Ongeveer ruitvormig, vier bij vier kilometer. Een bos als een klassieke markthal, ruim en toch sfeervol, de stammen zijn de pilaren. Er groeit fijn gras onder; daartussen hangen platte spinnenwebben die parelronde dauwdruppels vasthouden. Mezen kwetteren. De gaaien die onder de boomkruinen vliegen, roepen alleen ‘hààgh’.

Er ontbreekt ook iets. Nauwelijks jonge dennen, geen oude kreupele. Weinig andere soorten bomen ook, behalve hier en daar een Amerikaanse eik of een schriele berk.

Dit bos is een oude bomenakker.

Dat de Nederlandse naaldbossen pas honderd jaar oud zijn, dat ze bijna allemaal op kale zandgrond zijn aangelegd om sterke, rechte bomen te oogsten. Je leerde het, maar het past niet bij een woud. De Veluwe lijkt voor eeuwig.

Tot je een foto ziet die op de plek van het Loobos gemaakt is rond 1910. 1910! De tijd van de stadsuitbreidingen, van het elektriciteitsnet.

En hier rond Kootwijk lag een woestijn, niets overdreven. De fotograaf stond op een heuvel en alles wat hij zag, waren andere zandheuvels tot aan de horizon. Vooraan staat een heuveltje met een stuk of vijf dennen, er zijn nog een paar hobbels met één armetierige den. De foto staat in het prachtige boekje Het Kootwijkerzand (1999) van Gerrit de Graaff.

Op de Veluwe was het in de negentiende eeuw bar, en dat gold voor veel zandgronden in Nederland. De meeste bomen waren vanaf de Middeleeuwen gekapt voor brand- en constructiehout. Heide bleef over. Daar werden schapen gehoed die mest leverden voor gewassen. Op een kaart van Nederland in 1900 die Alterra maakte, is een groot deel van oostelijk Nederland paars ingekleurd: allemaal heide, en hoogveen.

Maar hier rond Kootwijk werd ook die heide afgebrand en geplagd. Toen begon het stuiven.

Milieuzorgen waren er, ook toen. De prominente predikant en schrijver Ottho Gerard Heldring – overgrootvader van NRC-hoofdredacteur Heldring – schreef in De Veluwe, eene wandeling (1841) hoe hij, de lokale dominee, het landschap teloor zag gaan aan verdroging en erosie.

„En als gindsche wouden gevallen zijn, hoe ras verdroogt dan de bron (…). Als deze verdwijnt, groeijen er geene boomen meer; hier en daar opent zich dan de grond, de wind der woestijn breekt derzelfde los, en verstuift het zand, en van jaar tot jaar wordt de landstreek onvruchtbaarder, tot dat ten laatste er ook geen heidebloempje meer tiert.”

Tegen 1900 besloot de regering dat het hele gebied moest worden bebost (uiteindelijk mocht het huidige Kootwijkerzand blijven). Arbeiders met spaden veranderden de stuifduinen in een immens golvend tafellaken van dennetjes, zo diep geplant dat alleen de toppen boven het zand uitpiepten. De bodem was zo arm dat de boompjes nog jaren zo in het kale zand stonden te kwijnen.

Het had land art kunnen zijn.

Daarna volgden in Nederland snel meer dennen. De Limburgse mijnen hadden stammen nodig, als stutten. Heide met schapen was toch overbodig geworden, want er bestond inmiddels kunstmest. Honderden vierkante kilometers werden met dennen ingeplant; toen de Tweede Wereldoorlog begon, was bijna de helft van het bos dennenbos.

Het was jong en recht bos, en het groeide steeds beter. Sinds de jaren vijftig werd het bos nota bene vanzelf bemest, door de zwavel en de stikstof waarvan er steeds meer in de Nederlandse lucht zat. Dat was het begin van de dennenhausse.

Nu loopt die op zijn einde.

Toen de dennen na zestig jaar klaar waren voor de oogst, bleken de Limburgse mijnen gesloten. Bosarbeiders werden steeds duurder, in 1994 schafte de staat de ‘herplantsubsidie’ af. Steeds vaker blijven de bomen staan, bleek recentelijk nog bij de landelijke Zesde Bosinventarisatie (2014). Het Nederlandse bos wordt groter, het bos wordt ouder, loofbomen rukken op. En de voorraad ‘staand hout’ wordt ook almaar groter.

De demografie van de Nederlandse dennen lijkt opvallend op die van de mensen.

Het verschil is dat bossen mooier en verrasssender worden, als ze hoogbejaard zijn. Hier in het Loobos brengt de wind berkenzaadjes, de muizen en gaaien brengen beukennootjes en eikels, poepende vogels brengen lijsterbessen. Daar waar een den is omgevallen, of waar de boswachter een handje heeft geholpen om een „structuurgaatje” te maken, kunnen de jonge loofbomen opgroeien. Waar de rottende stam lag, komen de varens.

Geoogst wordt er nog wel, maar vooral hier en daar een geschikte boom, zelfs nu de houtprijs sinds tien jaar aantrekt. Wie wil er wandelen in een productiebos met levende grenen palen op een rij, of over een kapvlakte waar de harvester net overheen is geweest?

Ons naaldhout komt vooral uit Oost-Europa, terwijl het Nederlands dennenbos verandert in nieuwe natuur met eiken, berken en lijsterbessen. Maar we geven er ook iets voor op. Van een lijsterbes kun je geen palen maken.

Met dank aan Mart-Jan Schelhaas, Zesde Nederlandse Bosinventarisatie