De vrouw die haar leven in de krant zette

Literatuur

Prachtige observaties, genadeloze oordelen en soms ineens slappe tekst: de columns van Clarice Lispector blijven intrigeren.

©

Zo halverwege De ontdekking van de wereld, de verzameling van in de jaren zestig geschreven krantencolumns van de Braziliaanse Clarice Lispector, kreeg ik het idee dat ik het spoor bijster was. Ik had prachtige portretten gelezen, van een huishoudster bijvoorbeeld – en een ode aan haar typemachine die ineens een scherpe draai kreeg: „De tic van tegenwoordig om mensen te prijzen door te zeggen dat ze ‘zo menselijk’ zijn, begint me op de zenuwen te werken. Dat ‘menselijk’ wil meestal zeggen ‘goedig’, ‘vriendelijk’, om niet te zeggen poeslief.”

Maar ik kom ook stukjes tegen waarin andermans complimenten ijdel-bescheiden worden geciteerd, of columns die vastlopen in (gedateerde) observaties als: „Een man die huilt ontroert. Hij, de vechter, ziet in dat zijn vechten soms zinloos is. Ik heb veel ontzag voor een man die huilt. En ik heb al mannen zien huilen.”

Eigenlijk is de titel van de vertaling – De ontdekking van de wereld – een beetje vreemd, want afgezien van een sporadische politieke observatie over armoede of veiligheid op straat in Rio, is het boek juist uitgesproken naar binnen gekeerd. Lispector schrijft hoofdzakelijk over zichzelf, maar lijkt dat met een zekere tegenzin te doen.

Tot er ineens iets schitterends volgt, zoals deze observatie, nadat Lispector (1920-1977) heeft verteld hoe ze er als kind van droomde om dieren te redden: „Maar wat ben ik uiteindelijk geworden, en al zo vroeg? Ik ben iemand geworden die op zoek is naar onze diepste gevoelens en woorden gebruikt die dat uitdrukken. Dat is weinig, heel weinig.”

Daar staat veel, best veel. Eerst is er de implicatie dat Lispector vindt dat ze eigenlijk te vroeg is begonnen met schrijven – ze debuteerde als twintiger. Dan de onverholen ambitie van het zoeken naar onze diepste gevoelens en de gedecideerde formulering dat ze ‘woorden gebruikt die dat uitdrukken’. Juist bij dat uitdrukken zou je een slag om de arm verwachten, iets als proberen uit te drukken, maar over taal twijfelt Lispector niet. Juist daarom komt het genadeloze oordeel over haar roeping daarna zo hard aan: ‘Dat is weinig, heel weinig.’

Daar aangekomen besloot ik toch maar eerst Benjamin Mosers biografie van Lispector te lezen, waarvan de vertaling tegelijk is uitgekomen met De ontdekking van de wereld. Het boek verscheen zes jaar geleden en werd in deze krant lovend besproken (Boeken, 09.07.10). De biografie opent nogal curieus met een pagina-lange lofzang op het uiterlijk van Lispector – dat kom je in boeken over Borges, García Márquez of Kafka veel minder tegen.

Het is merkwaardig dat Lispector in het buitenland zo weinig bekend is geworden; de uitgave van De ontdekking van de wereld, volgt op een (her)ontdekking van haar werk in de Engelstalige wereld. In wat er over haar verschenen is, zijn onbevredigende adjectieven als mysterieus en legendarisch alomtegenwoordig. Ook bij Moser, maar hij geeft precies de achtergrond die helpt om Lispectors teksten te lezen.

De schrijfster werd geboren in 1920 in een Joods gezin in het door pogroms geteisterde Oekraïne. Lispectors moeder werd er slachtoffer van een groepsverkrachting en liep syfilis op. Het gezin vluchtte naar Brazilië, waar de moeder na een lang ziekbed stierf. Ook Lispectors vader werd niet oud.

Depressies

Op haar twintigste publiceerde Clarice haar eerste roman en trouwde ze met een diplomaat, maar dat huwelijk was niet gelukkig: Lispector had verschillende depressies. Begin jaren zestig keerde ze zonder man, maar met drie kinderen terug naar Rio. Daar groeide haar faam als romanschrijfster en kreeg ze een column in de grote krant Jornal do Brasil.

Die krantenstukken vinden we nu in de vertaling van Harrie Lemmens. En met de biografie in het achterhoofd, krijg je meer gevoel voor de aard van Lispectors columns. Want natuurlijk maakte de vernietiging van het leven van haar moeder en alles wat daarna kwam, dat zelfs de grootste literatuur, vergeefs, ‘te weinig’ was. Je zou je om minder willen opsluiten. Maar juist dat kon Lispector niet: om als alleenstaande moeder brood op de plank te krijgen, moest ze haar leven in de krant zetten. Inclusief slapeloze nachten, inclusief de nacht waarop ze met een brandende sigaret in slaap viel en haar halve huis afbrandde.

In dat landschap is haar nadrukkelijk beleden toewijding aan het moederschap (belangrijker dan haar schrijverschap, schreef ze) opmerkelijk. Je kunt er een doorwerking in zien van het trauma dat de vernietiging van haar moeders leven bij haar veroorzaakt moet hebben – nog los van de historische context van die antisemitische agressie; overigens woonde Lispector uitgerekend in de jaren veertig met haar man jaren in Europa. Maar evenzeer kun je stellen dat het in het Rio van de jaren zestig noodzakelijk was voor een alleenstaande, werkende vrouw om haar trouw aan het moederschap te benadrukken: de tweede feministische golf had de Copacabana in 1966 vast nog niet bereikt. Het zit er natuurlijk allemaal in.

Tegen het einde van het boek heeft Lispector het over ‘verstrooid schrijven’ en geeft ze terloops aan hoe je dit uitzonderlijke werk zou moeten proberen te lezen. „Schrijven is dus de manier waarop je het woord als aas gebruikt: het woord waarmee je opvist wat geen woord is. Wanneer dat niet-woord – dat woord wat tussen de regels staat – bijt, heb je iets geschreven. Zodra je hebt gevangen wat tussen de regels staat, zul je opgelucht het woord weg kunnen gooien.”

Benjamin Moser: Clarice Lispector. De biografie. Open Domein nr. 51. Vert. Adri Boon. De Arbeiderspers, 560 blz. € 23,99