‘De meeste vrouwen stoppen als hun man overlijdt’

Spitsuur Willy Verhaar (51) runt sinds de dood van haar man het boerenbedrijf alleen. Nou ja, bijna alleen: „Iedereen staat altijd voor me klaar, dat is het mooie van een dorp.”

Willy: „Zolang ik maar één dag vooruit denk, houd ik het vol.” Foto David Galjaard

In Spitsuur vertellen stellen en singles elke week hoe zij werk en privé combineren. Meedoen? Mail naar werk@nrc.nl

Ziek

Willy: „Vijftien jaar geleden ben ik met mijn man Jos begonnen met het organiseren van nevenactiviteiten op onze boerderij. Kinderen en volwassenen kunnen hier een vlot bouwen, steppen, of de sloot oversteken via een touwbaan. Er komen schoolkinderen, worden partijtjes en bedrijfsuitjes gehouden, en familie- en vrijgezellenfeestjes gevierd. De eenvoud en vrijheid hier in de polder spreekt mensen aan. De drukste maanden zijn mei, juni, augustus en september. Vandaag komen er zes groepen, morgen zeven, overmorgen weer zes. Dat gaat in dit seizoen zeven dagen per week zo door.”

„In je eentje een boerderij draaiende houden, dat is best pittig. De meeste vrouwen stoppen ermee als hun man overlijdt. Jos werd in 2008 ziek, hij had darmkanker. Hij is een paar keer geopereerd, heeft verschillende chemo’s gehad en bestralingen. Maar op een gegeven moment besloot hij te stoppen met de behandeling. Hij heeft toen nog twee mooie zomers gehad en eind 2012 is hij overleden. Er zijn ruim duizend mensen geweest om te condoleren, iedereen hier op het dorp kende hem. Hij was altijd positief, ook toen hij ziek was. Vier maanden voor zijn overlijden is hij nog gaan abseilen van de Euromast.”

Eén dag vooruitdenken

Willy: „Tijdens Jos’ ziekte zijn we met de kinderen om tafel gaan zitten. Wat gaan we doen? Het land verkopen en in de boerderij blijven wonen? De kinderen waren toen 18, 20 en 22. Ze wisten dat een boerenbedrijf hard werken betekent en dat het echt je hobby moet zijn. Mijn man stond vaak om vier uur ’s ochtends op en was ’s zomers pas om elf uur ’s avonds binnen. In de eerste jaren van ons huwelijk haalde hij naast zijn werk als boer ook het vuilnis op.”

„In 2010, toen mijn man al ziek was, hebben we een groot deel van de koeien weggedaan. Kaas maakte ik toen ook al niet meer, dat gaat niet in je eentje. Toch heb ik besloten het bedrijf voort te zetten, ik zie mezelf niet in een nieuwbouwhuis zitten. Ik wilde niet weg uit mijn vertrouwde omgeving, waarin we alles zelf opgebouwd hebben. Wel heb ik dagen dat ik denk: ik verkoop de hele boel. Maar zolang ik maar één dag vooruit denk, houd ik het vol. Ik blijf positief in het leven staan.”

Gezelligheidsdier

Willy: „Ik heb nu nog honderd schapen en lammeren, dertig stuks jongvee en een paar kippen. Boer zijn kost geld: per koe verlies ik zo’n 400 tot 500 euro. Door de lage melkprijs en dingen als de fosfaatregeling raak ik ze nu moeilijk kwijt. Verder heb ik nog 20 hectare grasland. Het is hard werken voor weinig geld. Als ik zou uitrekenen wat mijn uurloon is, verdien ik bijna niks. Zonder die nevenactiviteiten zou ik het niet redden, maar daar ben je ondernemer voor. En gezondheid is belangrijker dan geld, zeg ik altijd.”

„Vakantie zit er helaas niet in. Maar gelukkig ben ik ook niet zo’n vakantietype. En met wie zou ik op vakantie moeten? Ik ben helemaal geen reiziger. Ik zou best eens een weekje weg willen, maar ik kan niet zomaar de deur achter me dichttrekken met al die beesten. Ik kan hier wel zo de plas op, en ik ga regelmatig naar vrienden in Friesland. Dan ben je ook even weg.”

„Ik ben wel een gezelligheidsdier, hoor. Ik vind het heel leuk al die groepen te ontvangen op de boerderij. Ik heb ook veel energie, dat scheelt. Aan vijf uur slaap heb ik genoeg. In de lammertijd zit ik vijf weken lang dag en nacht in de schuur om te kijken of alles goed gaat. Gelukkig is er een schapenboer hier in de buurt die ik altijd kan bellen. Iedereen staat altijd voor me klaar, dat is het mooie van een dorp. Verder heb ik een boekhouder en een adviseur, want ik kan natuurlijk niet overal verstand van hebben. En er zijn hier wel twintig vrijwilligers die me ieder een paar uur per week helpen met de begeleiding van de groepen. Om iets terug te doen organiseer ik ieder jaar een barbecue voor hen en hun gezin. Het is hier altijd de zoete inval geweest.”

Zondag is een nare dag

Willy: „Wat ik in mijn vrije tijd doe? Dan doe ik vaak iets voor een ander. Een luisterend oor bieden, bijvoorbeeld. Want ik ben dan wel druk, maar ik kan ook luisteren. Of hand- en spandiensten verrichten waar nodig. Ik heb vroeger in de zorg gezeten: gezinszorg, stervensbegeleiding, bejaardenzorg, kraamzorg. Stilzitten is niks voor mij. Ik wandel en fiets veel, met mijn zus bijvoorbeeld. In mijn eentje op mijn terras zitten, daar vind ik niks aan. Ja, ’s avonds de barbecue aansteken met de kinderen of een vuurtje stoken, dat is wél leuk. Zondag vind ik een nare dag, dan zie je al die stellen langs fietsen. Maar voor echte hobby’s heb ik geen tijd.”

„Ik weet niet hoe het leven verder zal verlopen. Vind ik het hier nog leuk als de kinderen het huis uit zijn? Ik weet het gewoon niet. Ik hoop dat ik niet mijn hele leven alleen blijf. Want ik ben niet zielig of eenzaam, maar ik voel me wel eens alleen. Jos en ik waren zo’n mooi stel samen, ik ben heel dankbaar dat ik mijn halve leven met hem heb mogen delen… Daar teer ik op, op dat rijke leven dat we samen hebben gehad.”