Tot levenslang veroordeelde man eist reïntegratietraject

Kort geding

Edwin S. wil een kans op terugkeer in de maatschappij af te dwingen. Levenslang „zonder perspectief op vrijlating”, is inhumaan.

Een gedetineerde die een levenslange gevangenisstraf uitzit, probeert via de rechter een kans op terugkeer in de maatschappij af te dwingen. Hij verlangt in de gevangenis een reïntegratieprogramma te volgen. Woensdag daagde hij hiervoor de staat in kort geding voor de president van de Haagse rechtbank.

Edwin S. werd in 1994 veroordeeld tot levenslang na verschillende gewelddadige misdrijven. Zo doodde hij bij een inbraak de bewoner en verwondde hij diens vrouw. Hij heeft nu 23 jaar en zeven maanden in de cel doorgebracht, inclusief voorarrest. Woensdag zat hij in de rechtszaal, met een half brilletje op, mee te lezen met het pleidooi van zijn advocaat, gadegeslagen door drie bewapende agenten.

Zijn advocaat José Lindhout verwees naar uitspraken van onder meer de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat in 2013 oordeelde dat levenslang „zonder perspectief op vrijlating” inhumaan is. Het Europees Hof stelt dat de lidstaten verplicht zijn om de straf na uiterlijk 25 jaar opnieuw te beoordelen in het licht van een mogelijke terugkeer in de samenleving. Nederland heeft als een van de weinige Europese landen geen herbeoordelingsprocedure. Staatssecretaris Dijkhoff (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft de Tweede Kamer in april laten weten dat hij aan zo’n procedure werkt, met als uitgangspunt de termijn van 25 jaar.

Toen Edwin S. aan de directeur van de gevangenis waar hij verblijft vroeg of hij alvast een begin kon maken met zijn resocialisatie, werd hem dat geweigerd. Hij zit nog geen 25 jaar in de gevangenis, aldus de directeur, die verwees naar de aangekondigde regeling van de staatssecretaris.

Het centrale punt van advocaat Lindhout woensdag in de zitting was dat Edwin S. geen kans heeft op een reële herbeoordeling als hij vóór dat moment geen recht heeft op een programma voor zijn reïntegratie in de maatschappij. Ze onderstreepte dat haar cliënt in ruim 23 jaar veel maatschappelijke ontwikkelingen gemist heeft en vroeg daarom bijvoorbeeld of hij – onder begeleiding – een mobiele telefoon mag leren gebruiken. Als hij zulke dingen pas mag leren nadat hij 25 jaar heeft vastgezeten, duurt het nog langer voor hij daadwerkelijk kan vrijkomen. Ze verwees naar een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie waaruit blijkt dat gedetineerden die meer dan twintig jaar gevangenzitten, ten minste vijftien maanden nodig hebben om vorderingen te maken in hun resocialisatie.

Namens de staat voerde advocaat Marianne Hirsch Ballin aan dat Edwin S. in de gevangenis veel voorzieningen aangeboden krijgt die zijn terugkeer in de samenleving kunnen vergemakkelijken. Zo mag hij sporten, krijgt hij bezoek onder toezicht, heeft hij toegang tot de bibliotheek en kreeg hij een cursus ‘spreken over slachtoffers’. Advocaat Lindhout wierp tegen dat dit voorzieningen zijn die „standaard aan alle gedetineerden worden aangeboden”. Een straf zonder programma voor terugkeer in de samenleving is volgens haar strijdig met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Maar volgens Hirsch Ballin geeft het Europees Hof de lidstaten veel vrijheid in het inrichten van de resocialisatie tijdens de gevangenisstraf. Het Hof eist volgens haar alleen dat „de omstandigheden van de straf niet in de weg staan dat de gedetineerde zich kan ontwikkelen”. Waarop de president van de rechtbank aanvulde: „...zodanig dat een herbeoordeling na 25 jaar mogelijk is.”

Hij vroeg Hirsch Ballin waaruit zou blijken dat tijdens de gevangenisstraf een programma wordt aangeboden waarmee een herbeoordeling na 25 jaar mogelijk wordt.

Uitspraak volgt op 10 augustus.