Wat voorafging: Natan bezocht de kazerne waar zijn ouders werden geïdentificeerd. Bij de poort liet hij Branda via de telefoon het knagende geluid van cellofaan rond de neergelegde boeketten horen. ‘Zo klinkt collectieve rouw.’

Feuilleton in 60 afleveringen

30/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Natan bezocht de kazerne waar zijn ouders werden geïdentificeerd. Bij de poort liet hij Branda via de telefoon het knagende geluid van cellofaan rond de neergelegde boeketten horen. ‘Zo klinkt collectieve rouw.’

Tante Naomi veerde van haar stoel op, wierp zich rond mijn hals, en zei alleen: ‘O, Natan.’

Opa Ban lag (of zat) hoog opgericht tegen twee enorme kussens, waarvoor het bed te smal leek. Hij droeg een wit T-shirt: ik had hem nooit naakter gezien dan in overhemd met bretels. Opeens moest ik me hem aan het strand voorstellen. ‘Ik vertrouw die zeewind niet.’ Straks zouden zijn armen vuurrood kleuren, en aan het eind van de hittegolf schilferig bruin. (‘Laban, je vervelt.’ ‘Welnee, opgedroogd zeezout.’) Zijn ogen draaiden opengesperd met me mee toen ik een kruk naast hem schoof. Helaas stond ook zijn mond wijd open, maar dat kwam door het neusmasker van de zuurstofmachine, die een afwisselend zuigend en persend geluid maakte, als de generator voor een elektrisch nietpistool. Zijn magere borst ging heftig op en neer. Ik wilde hem laten horen hoe goed mijn Russisch er de afgelopen week op vooruitgegaan was, maar de ontroering dwong mijn tong in uitgesleten groef: ‘Hai, opa, ik zou nog even langskomen… nou, hier ben ik.’

Hij kreunde zacht een welkomstgroet. In zijn oogwit dreven groenige viezigheidjes, als stukjes snot op een glas schoolmelk. Zijn kunstgebit was weggenomen. Het leek of hij, ondanks het apparaat, naar adem hapte. ‘Hij wil iets zeggen, geloof ik,’ zei Naomi. ‘Ik roep de zuster.’

De verpleegster zette de zuurstofbox in een lagere stand, en nam het masker van opa’s gezicht. De doffe blik wist nog een sprankje dankbaarheid op te brengen.

‘Bekka… graven,’ verstond ik. ‘Graf saam, Bekka.’ ‘Je wilt samen met mijn moeder begraven worden?’

Binnen zijn mogelijkheden knikte hij heftig van ja, en toen iets minder heftig van nee. ‘Niet graven. Samen graf.’

Ik snapte het, zoals hij het snapte: dat Bekka voorlopig niet begraven kon worden, terwijl ze hem binnen twee etmalen ter aarde dienden te bestellen. Hij wilde dat zijn dochter te zijner tijd bij hem in het graf gelegd werd, op de joodse dodenakker van Muiderberg. ‘Dat wieliek… zo graag.’ Hij zong de woorden bijna. ‘Bekka, zo graaaag.’

Nu oppassen, voordat ik hem een niet na te komen belofte deed. ‘Als we dat doen, opa, ligt mijn vader straks ergens alleen. Hij is niet joods.’

‘Bekka, in de plaats van’ (hij hapte naar adem, schrokte die op)’… die zussen van mij.’

Ik begreep het. Mijn moeder moest in Muiderberg de plaats innemen van zijn vier zussen, die ergens in Oekraïne in een anonieme groeve of asla rustten. Voor hem was, na een gespannen pauze van zeventig jaar, met het neerhalen van de MX17 het vermoorden van zijn familie gewoon doorgegaan – onder een andere politiek, maar op dezelfde steppen. Toen de verpleegster opa Ban het masker weer op wilde zetten, maakte hij een zwak afwerend gebaar, daarbij niet haar maar mij woedend aankijkend. Hij bezorgde me het schuldige gevoel dat ik zijn laatste woorden wilde laten smoren in een zuurstofkapje dat namens hem ademde.

‘Wacht even, zuster. Laat hem uitpraten.’

‘Hitler dood,’ bracht hij uit. ‘Wie Bekka dood… zoeken, jij… vinden, jij. Daar, in Donbas.’ Hij wees met een vinger die alle kanten op vlinderde. ‘Natan… beloof.’

Hitler was dood, dus op hem kon ik het lijden van opa’s zussen niet meer verhalen, nee. Maar de moordenaars van zijn dochter liepen nog vrij rond in de Donbas.

‘Beloofd, opa. Ik zal alles doen om…’

Hij probeerde zich op te richten. ‘Klop… eet,’ hijgde hij, zijn ogen weer wijd opensperrend. Wat moest ik kloppen en vervolgens opeten? Beide handelingen associeerde ik uitsluitend met slagroom. Ik keek Naomi aan, die haar schouders ophaalde: ‘Iets met hongerklop misschien?’

Opa Ban lag met gesloten ogen achterover. Ik bracht mijn oor dichtbij zijn mond, die nog zacht bewoog, rook de dood, en verstond: ‘Klop… kloppen. De zweer… eet.’

Plotseling vielen de woorden op hun plaats. Een rijpe zweer, die kon wel eens gaan kloppen, geen speld tussen te krijgen. En dat ‘eet’ vormde geen aanmoediging om bij de rijpe zweer toe te tasten, maar moest als eed opgevat worden, met een d. Ik moest zweren dat ik achter de verantwoordelijken voor het neerstorten van vlucht MX17 aan zou gaan. ‘Opa, ik zweer dat ik niet zal rusten voor de schuldigen terechtstaan.’ Ik stak van de weeromstuit twee vingers van mijn rechterhand omhoog. Het ontbrak er nog maar aan dat ik er eerst aan likte, zoals jongens doen in een bloedbroederspel.

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het eenendertigste deel van dit feuilleton verschijnt zaterdag 30 juli op nrc.nl/afth.