Kiwi-dokter

©

Onze verblijfsvergunning is binnen. Om het te vieren gaan we met zijn drieën kayakken. Bjorn peddelt ontspannen naast me, terwijl Daisy op zijn schoot in onvervalst kiwi-slang over vogels kletst. Een besneeuwde bergtop, omringd door strakblauwe lucht, torent boven hen uit. Als Maori’s je uitleggen wie ze zijn, vertellen ze: dit is mijn ‘iwi’ (stam), dit is mijn ‘awa’ (rivier) en dit is mijn ‘maunga’ (berg). Vandaag voel ik dat sterker dan ooit: dit is mijn familie, mijn berg, mijn zee.

Met nog natte haren ren ik twee uur later de praktijk in, net op tijd voor mijn avond- en nachtdienst. Een vierjarig meisje dat haar vinger in een snoeisnaar kreeg, geef ik wat lachgas waarna het hechten makkelijker gaat. De volgende patiënte heeft last van zwangerschapsbraken, maar knapt op van een infuus met fysiologisch zout. Een man met een niersteenkoliek krijgt morfine. Terwijl hij, uitgeput van de wegebbende pijn, tegen de balie steunt, vraag ik hoe hij wil betalen: pin of cash? Een jaar geleden had ik het mijn strot niet uit gekregen, inmiddels ben ik door de manager gedrild. Voor elk consult moet betaald worden, „op rekening” leidt alleen tot „bad debtors”.

Het is 11 uur geweest als ik boven mijn bureau een diner eet van koekjes en crackers. Dan gaat mijn pieper: benauwde peuter, ambulance op 40 minuten afstand. Ik ren naar mijn auto. De woning is moeilijk te vinden. Het is meer een huisje in de tuin van iemand anders. Er staat een radiator in de ene hoek. In de andere hoek een tweepersoonsbed met daarop een vrouw die haar zoontje van anderhalf vasthoudt. Hij ademt snel. Elke inademing geeft een piepend geluid. Pseudokroep: ik pak mijn zuurstoftank en verstuiver, stop er 5 ampullen adrenaline in en zet het masker op zijn hoofd. Ik praat met zijn moeder over leven in de Nieuw-Zeelandse bijstand, over de tocht in het huisje. Ik vertel haar dat er subsidies zijn om haar woning te laten isoleren en dat consulten gratis zijn voor kinderen. Ik druk haar op het hart voor morgen een vervolgafspraak te maken. Als de ambulance het erf op rijdt, lacht het mannetje weer.

Het is over twaalven als ik thuis kom, hongerig en moe, maar intens tevreden. Nederlandse huisartsen denken graag dat ze de beste ter wereld zijn. Maar toen ik hier een jaar geleden startte viel dat vies tegen. We mogen in Nederland uitermate goed zijn in gevoelsreflecties en doorvragen naar de hulpvraag, op medisch gebied liep ik achter bij mijn kiwi-collega’s. Specialisten zien alleen de ergste gevallen, de rest wordt afgehandeld door de huisarts, die regelmatig ook voor ambulance speelt. Vandaag voel ik me eindelijk een van hen. „I’m a rural kiwi-doctor”, mompel ik en val als een blok in slaap.

De volgende dag ben ik nog steeds euforisch. Na mijn ochtendspreekuur wandel ik met mijn collega naar de bakker. „Ik zag je patiëntje met kroep nog”, zegt hij. Ik onderdruk een glimlach. „En? Hebben jullie subsidie voor isolatie besproken?” Het is even stil. „Ehh… Nee. Ze wilde de behandeling nog even doornemen, omdat ze je niet goed kon verstaan.” Plots besef ik dat ik vergeten ben aantekeningen te maken in het dossier. „Hoe weet je eigenlijk dat ik het was die hem gezien heeft?” Mijn collega kijkt ongemakkelijk. „Well… She said: ‘She was not one of us.’”

Huisarts Anne Hermans is vertrokken naar een praktijk in Nieuw-Zeeland en schrijft columns gebaseerd op haar ervaringen. Frits Abrahams hervat zijn column eind augustus.