Ik wil met mijn boeken de wereld mores leren

Lydia Rood

De jeugdboeken van Lydia Rood zijn maatschappelijk betrokken. „Ze hebben geen boodschap, maar een doel.”

SchoolschrijverLydia Rood: „Ik wil kinderen meer bieden dan een uurtje te gast zijn op een school.” Foto Koos Breukel

„We hebben het vaak over nieuwslezers, acteurs, Oscarwinnaars – en waarom het nodig is voor mensen om zich in hen te herkennen. Zodat ze zich weerspiegeld zien. Bij kinderboekenschrijvers is dat nog niet zo”, vertelt Lydia Rood, wanneer we elkaar ontmoeten in Amsterdam. Ze vervolgt: „Op school sprak ik een jongen die heel goed was in observeren, allerlei details kon hij nog voor de geest halen. Ik zei tegen hem: ‘Wat kun je dat goed, misschien moet je politieagent worden!’ Daar schrok hij van op. Het was een jongen met Marokkaanse ouders. Hij zei: ‘Ik? Maar de politie, dat is toch de vijand?’ Het idee dat hij ook aan de kant van de macht en de autoriteiten kon komen te staan, was nieuw voor hem. Ik hoop dat ons gesprek iets heeft opgeleverd.”

In haar eentje vergroot Lydia Rood de diversiteit in de jeugdliteratuur, die tot op heden nog een spierwitte tak van sport is. De kinderboekenschrijvers van niet-Nederlandse afkomst zijn op één hand te tellen, personages heten vaak Eva en Emma en vrijwel nooit Ahmed of Ali, kinderboeken gaan maar zelden over problemen als discriminatie of racisme, of over jongeren uit de probleemrijke sociale milieus, die op het verkeerde pad raken.

Bij Rood gaat het over al die dingen tegelijk. Ze schreef de afgelopen jaren – onder meer – de boeken Ali’s oorlog (2014), over Ali die zijn klas terroriseert en Yessin die mee wil en moet doen met die jongens, maar van zijn ouders ook moet scoren op de Cito-toets, en Xinia’s wraak (2016), die op school gepest wordt omdat ze ‘dik en bruin’ is en daarom wegloopt.

Die boeken zijn voortgekomen uit iets anders dat de laatste jaren Roods leven is gaan bepalen: ze noemt het zelf „het geweldigste dat ik ooit heb gedaan”. Zes jaar achtereen is ze al ‘Schoolschrijver’, waarbij ze een halfjaar lang wekelijks in een basisschoolklas komt om lessen te geven over boeken, lezen en schrijven, op een school in een wijk met veel taalachterstand. Dit jaar liepen er op 45 scholen door heel Nederland kinderboekenschrijvers mee, maar De Schoolschrijver begon zo’n beetje bij Rood, die de eerste was die toehapte toen initiatiefnemer Annemiek Neefjes haar plan ontvouwde.

„Ik was het al voordat het uitgevonden werd, denk ik. Ik liep al met de gedachte rond dat ik kinderen meer wilde bieden dan het uurtje dat je als schrijver doorgaans te gast bent op scholen. Je laat ze even ruiken aan literatuur, of eigenlijk: het verschijnsel ‘verhaal in een boek’. En dan ben je weer weg en vervluchtigt het.”

Wat wilde u ‘meer’ bieden?

„Je kunt de wereld openen voor ze. Om een voorbeeld te noemen: voor de afsluiting gingen we met de klas naar de Stadsschouwburg in Amsterdam. Er waren kinderen bij die nooit eerder in het centrum van de stad waren geweest, ze komen uit Amsterdam Nieuw-West. Die zijn nooit uit die buurt gekomen, en dus ook mentaal niet – dat je per boek kunt reizen is een ontdekking die je ze dan kunt laten doen.”

Wat doet u, als u voor die klas staat?

„Mijn manier is dat ik hen laat vertellen, ik wil dat zij met hun verhalen komen. Door stukjes voor te lezen waarin ze iets herkennen, en dan zoek ik meestal de niet zo fijne dingen van het leven op. Dat koppel ik aan boeken die daarover gaan, waardoor de kinderen inzien: hé, boeken zijn niet iets van school, maar van óns.”

Behalve dat er weinig boeken zijn die over hén gaan?

„Is dat zo? Ik houd het niet goed bij. Er zijn er wel een paar, hoor, die stop ik in de boekenkist voor mijn Schoolschrijver-klassen. Ze zijn nodig, ze maken het fenomeen boek toegankelijker. Het valt me op, ook als ik op een boekenmarkt achter mijn uitgestalde boeken zit, dat ook kinderen met een Noord-Afrikaans uiterlijk mijn boek Anansi’s web pakken, uit 2000. Toch omdat daar twee donkere kinderen op het omslag staan, denk ik. Die gaan over hún. Ze zoeken naar herkenning.”

Die herkenning speelde mee bij het ontstaan van Ali’s oorlog en Xinia’s wraak, gebaseerd op verhalen die Mikail Altun en Jezennia Boateng, kinderen uit de klassen van Rood, hebben verzonnen – of meegemaakt. Maar het vergroten van diversiteit op zich is geen doel voor Rood. Ze zit vol verhalen over de kinderen die ze heeft ontmoet en herinneringen aan boeken die ze in haar 34-jarige schrijversloopbaan schreef, en ze zit vol scherpe standpunten. Maar ook nuancerende kanttekeningen.

Zoals deze: „Afkomst en sociale klasse, die twee maatschappelijke factoren worden vaak door de war gehaald. Terwijl de jongen die model stond voor Yessin [in Ali’s oorlog] het wél heeft gered en het jongetje dat model stond voor Ali niet. Allebei Turks, allebei Amsterdam-West, maar de één gaat naar het gymnasium, van de ander hoop je dat hij geen draaideurcrimineel wordt. Dat zegt dus meer over de opvoeding die ze kregen, de sociale klasse waarin ze opgroeiden, dan over hun afkomst.”

Het ligt gecompliceerder. Zo vermeed Rood in deze recente boeken ook wat haar in het verleden nog wel eens aankleefde: dat haar boeken politiek gekleurd waren, links, met een eenduidige boodschap, niet genuanceerd. Op één manier is ze in elk geval openlijk ongenuanceerd: „Nee, de versie van het verhaal van de ouders van Mikail en Jezennia hoef ik niet te horen. Ik schrijf het verhaal van die kinderen op en dat wil ik niet ontkracht hebben. Natuurlijk vertellen de ouders een ander verhaal, maar dat interesseert me niets. Ik wil gewoon dit kind een stem geven.”

Waarom interesseert u dat niet? Zo kun je toch een completer beeld van het kind krijgen?

„Ja. En dat wil ik dus niet.” Rood lacht. „Ik wil echt de stem zijn van dat kind. Doen wat zij nog niet kunnen: hun verhaal vertellen. Als ik dan weer naar een genuanceerd verhaal zoek, zoals ik moest toen ik journalist was, gaat dat verloren.”

Dan zit u ertussen?

„Precies, en dat wil ik niet. Die kinderen hebben nog niet de mogelijkheid om hun eigen verhaal te vertellen, maar ik wil dat zij zich gehoord en gezien voelen, dat hun verhaal er mag zijn.”

Of dat iets nieuws is in haar oeuvre, ontstaan doordat ze nu Schoolschrijver is? Rood kijkt bedenkelijk. Ze zou eerder zeggen dat ze „stug doorgegaan” is. „Een ‘boodschap’ is best lang een slecht woord geweest, de helft van mijn schrijverscarrière wel, denk ik. In het begin mocht het nog, later niet meer, maar ik heb me daar nooit wat van aangetrokken. Ik schrijf de verhalen die ik wil, waar de drang zit.”

Ze bedenkt zich en herformuleert: „Nou, boeken hebben een doel. Als je geen doel hebt is het voor jezelf niet interessant. Maar een boodschap… Mijn boeken gingen altijd al over buitenbeentjes en over er mogen zijn – dat las ik in recensies, en dat klopt wel.”

Waarom zit die drang daar, bij dat onderwerp?

„Ik groeide op als een meisje tussen vier jongens, met een zusje dat ging doen alsof ze een jongen was. En ik was als meisje heel erg mislukt: veel te jongensachtig. Ik had een gekke vader, een gekke broer, nu ook nog een gekke man, die ook het gevoel had dat hij er niet mocht zijn. We zijn allebei beschadigd door onze jeugd en hebben nu allebei de neiging om de wereld mores te leren. Dat zal wel zijn wat ik doe als schrijver.”

Toch leidt dat niet tot zielige boeken met een eenduidige boodschap. Voordat de verklaring voor het probleem is uitgekristalliseerd, blijken er nog minstens vier andere dingen mee te spelen.

Want wat is er in Ali’s oorlog precies aan de hand? Yessin wil bij de club van Ali horen – dan heeft hij vrienden, en anders valt hij buiten de boot. En Ali, dat is een rotzakje met een hardvochtige vader. Is Yessin dan een engel? Ook niet, hij pest mee. En hij heeft ouders die een succesvolle toekomst voor hem wensen, en daarom wel heel hard hameren op zijn goede Cito-score. Ze hopen voor hem op dat wat voor hen nooit was weggelegd.

En de leraar, een kaaskop die Rik heet, die heus wel doorheeft dat de macht over de klas geheel in Ali’s handen ligt – hoe onschuldig is die? Hij ziet van Yessin vooral zijn deelname aan de pesterijen, en denkt voor zijn toekomst niet verder dan een vmbo-advies.

Iedereen blijkt ten dele schuldig aan het probleem, dat is ook de boodschap.

„Ik ben blij dat je dat zegt. Niet de ‘boodschap’ op de enge manier, de paternalistische jarenzeventigmanier, zo van: Turken zijn ook mensen.

„Je hebt het over echte mensen en dan zie je dat de dingen niet eenvoudig zijn. Dat heb ik tegen op best wel wat kinderboeken: de psychologie is te bedacht of te simpel, ze beschrijven een probleem als fenomeen.”

Xinia kondigt aan dat ze gepest wordt omdat ze ‘dik en bruin’ is. Dat is ook niet het hele verhaal.

„Dat was de eerste zin van Jezennia. Ik wilde haar erover laten nadenken.”

Omdat u eraan twijfelde?

„Ik vroeg me af of het klopte, want er zaten in haar klas meer bruine of dikke kinderen, die niet gepest werden. Ik denk dat het er meer in zit dat haar ouders Jehova’s getuigen zijn waardoor ze met heel veel dingen niet mee mag doen. En dat ze intelligenter is dan het soepie. En gevoeliger.”

Maar je kunt toch niet uitsluiten dat haar huidskleur in elk geval dééls de reden is dat ze gepest wordt?

„Klopt, maar pesters zien iemand die kwetsbaar is en denken: wat zal ik eens doen? Als ze voelen waar je kwetsbaarheid zit, pakken ze dat. Dat is bij Xinia haar huidskleur, ook al omdat ze van haar ouders een denkkader meekrijgt waarin racistisch weggezet worden als mogelijkheid bestaat. Daarom kan het voor de pesters ook de focus zijn, maar niet de reden – als ze een beugel of een bril of rood haar had gehad, was dát de reden geweest.”

Is dat omdat kinderen meedogenloos en onwetend zijn?

„Pesters zijn ook onschuldig geboren. Het hangt samen met de context, met hoe je kijkt en er zelf instaat. Ik woon op Marken en stond een keer langs de lijn bij het voetbal, een wedstrijd tussen Marken en Zaandam. In Zaandam, een industriestad, heerst een harde mentaliteit, dat zijn schoppers, dat heb ik vaker meegemaakt. Het Zaandamse team was niet wit. ‘Nou, je kunt het wel weer zien hè!’ zei iemand langs de lijn, ‘tuig’ was het. ‘Deporteren!’ riep iemand. Daar schrok ik zo van dat ik me erin mengde: weet je wat je zégt, mijn man komt uit Marokko en ik vind het heel naar wat jullie hier zeggen. Later zei mijn dochter dat ze ‘in de Marker stand’ stonden. Ze begaven zich in een context waar het oké en cool was om zulke dingen over buitenlanders te zeggen.”

Zo relativeerde u het?

„Hoe je je gedraagt hangt maar net af van de groep, de situatie, de context. Later kwam een van die Marker vrouwen naar me toe en zei dat ze het niet had moeten zeggen. Ze snapte ook niet zo goed waarom ze het zei, ze werkte zelf veel met Marokkanen, kwam bij hen thuis. Ze dacht eigenlijk veel genuanceerder.”

Stopt u dat soort nuance ook bewust in uw boeken? Merken kinderen dat op?

„Dat weet ik niet, maar kinderen hoeven dat ook niet allemaal op te pikken. Ik schrijf sowieso niet met een doelgroep in mijn hoofd. Ik schrijf voor mezelf, al houd ik het niet voor mezelf.”

Maar toch verzint u het allemaal niet. U baseert zich op de details die Mikail en Jezennia u aanreiken.

„Als je met je boek degene treft over wie het gaat, moet diegene niet het gevoel kunnen krijgen dat het niet over hem of haar gaat. Zo is het ook met die nuances: die móeten erin, om het kloppend te maken.”