Het gevecht

Van De Vos (12)

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

Illustratie Cyprian Koscielniak

In de rode salon zijn ze niet blij met de ontwikkelingen. „Dit is ernstig”, zegt De Das. „De Vos mag niet arriveren. Hij vormt een gevaar voor onze plannen.”

„Daar kan De Wolf toch voor zorgen?”, oppert De Haas.

„We hoeven niet bang te zijn voor De Vos”, zegt De Bruin, „hij is niet meer wie hij is, dat is toch duidelijk.”

„Dat risico kunnen we niet nemen”, reageert De Das, „er staat te veel op het spel.” Hij belt opnieuw met De Wolf. Die moet de twee naar de Wildernis lokken.

De Wolf duwt het hoofd van De Leeuw in een emmer koud water, daarna dat van De Vos. De twee komen langzaam weer bij zinnen. „We gaan naar de Wildernis”, oppert De Wolf. „We moeten poolshoogte nemen.” De Leeuw zegt dat het al begint te schemeren, hij wil terug naar de stad. Bovendien heeft hij hoofdpijn. „De plicht roept”, antwoordt De Wolf, „U móét poolshoogte gaan nemen, zoals afgesproken, de anderen rekenen op u.”

De Vos is nog niet helemaal helder, maar hij ziet dat De Wolf iets van plan is, hij herkent het te strakke gezicht, de herhaling van woorden. Hij moet zijn meditatiemaatje helpen. Hij gaat voor De Wolf staan en kijkt hem onderzoekend aan. „De Leeuw gaat niet naar de Wildernis, we gaan naar de stad.”

De Wolf ziet een glimp van de oude De Vos. Hij moet oppassen nu. Maar door de zenuwen kiest hij voor de verkeerde glimlach. De Vos staat opeens oog in oog met de minnaar van zijn vrouw, met de man die zich bemoeit met de opvoeding van zijn zoontjes. Hij voelt woede opkomen en kracht, eindelijk voelt hij weer energie door zijn lijf stromen. „Wat wil je nou?”, vraagt De Wolf iets te stoer.

Wat volgt is een bruut gevecht. De Leeuw kijkt van een afstandje angstig toe. Hij ziet hoe De Wolf verslagen wordt door een ontketende De Vos.

Wanneer hij weer tot bedaren is gekomen, heeft De Vos spijt. Hij gaat op de bank van het parkje zitten en begint zich te verontschuldigen. De Leeuw neemt naast hem plaats en slaat een arm om hem heen. „De Wolf heeft het verdiend”, zegt hij, „jou valt niets te verwijten.” De Vos zegt dat hij nooit meer de oude wil worden. Geen geweld meer, hij wil de liefde prediken.

Samen tillen ze De Wolf op en dragen hem naar de maisonnette. Ze leggen hem op de bank en verzorgen de wonden. Opeens krijgt De Vos een idee. Hij gaat van Malpertuis een spiritueel centrum maken. Ja, in het hart van De Wildernis zal een spiritueel centrum verrijzen. Een symbool van vrede, een tempel van liefde. Dan is het snel gedaan met de onrust.

„Ik ga meteen naar mijn ex”, zegt De Vos. „Staan de plannen haar niet aan, dan mag ze vertrekken. Maar ze krijgt een kans. Uit liefde. Ik predik voortaan alleen maar de liefde.”

„Ik ga met je mee”, zegt De Leeuw vastbesloten, „ik zal je plan steunen.” Even later lopen ze opgetogen richting De Wildernis. De Wolf hebben ze op de bank laten liggen, die redt zich wel.

Wordt vervolgd