Haar kapsel toont dat ze nog steeds een nazi is

Wolfgang Koeppen

Er ist wieder da: oom Judejahn die in de woestijn Arabische troepen opleidde tegen Israël. Hij treft de rest van zijn familie in Rome, waar allen moeten dealen met het verleden.

De Romeinse wijk Trastevere in 1953 Foto Herbert List / Magnum Photos

De Duitse schrijver en journalist Wolfgang Koeppen (1906-1996) ontvluchtte zijn land in 1933 en hield na de Tweede Wereldoorlog niet op de mentaliteit van de Duitsers te hekelen: hij geloofde niet dat zijn landgenoten het nationaal-socialisme eenvoudigweg hadden afgeschud. Dit idee staat ook centraal in zijn roman De dood in Rome (1954), waarin zeven leden van een Duitse familie elkaar begin jaren vijftig treffen in de historische binnenstad van Rome.

Een van hen is Siegfried Pfaffrath, een jonge componist, die de première van zijn eerste symfonie in Rome bijwoont. Wanneer het orkest begint te stemmen, lezen we: ‘zo nu en dan hoorde ik een paar tonen van mijn symfonie, het klonk als de roep van een verdwaalde vogel in een vreemd bos.’ Zijn experimentele compositie (gebaseerd op Schönbergs twaalftoonsysteem) is een uitdrukking van verzet tegen zijn nationaal-socialistische familie, maar óók de vertwijfelde kunstvorm van een iemand die niet in harmonie leeft met zichzelf en zijn omgeving. Die dissonanten en verbrokkelde thema’s zijn op papier gezet door een gedesoriënteerde jongeman die zijn militaristische opvoeding verafschuwt, maar voor wie betaalde seks met de straatjongens van Rome tegelijkertijd een dierbare herinnering aan de kameraadschap in de grote slaapzalen inhoudt.

Siegfrieds neef Adolf is in Rome als priester in opleiding. Ook hij gaat tastend door het leven. Zijn habijt is een slag in het gezicht van zijn nationaal-socialistische opvoeders: hij heeft de bruine ideologie vervangen door de katholieke heilsleer, maar ziet in de Vaticaanse pracht en praal verwarrend veel overeenkomsten met de Neurenbergse partijdag.

Voortvluchtige

Ook de oudere generatie is present. Adolfs vader, Gottlieb Judejahn, is een voortvluchtige, in Neurenberg bij verstek ter dood veroordeelde SS-generaal die zich sinds 1945 heeft schuilgehouden in de woestijn, waar hij Arabische troepen trainde. Hij werd dood gewaand, maar heeft zijn familie ‘in een zwak ogenblik’ laten weten dat hij nog leeft en voor zaken (wapenhandel) in Rome is. Voor Eva Judejahn is het een teleurstelling dat haar man van een Germaanse held in het Walhalla transformeert in een gehaaide overlever. Haar rouw gaat gewoon door – ze beweende immers niet zozeer haar echtgenoot, als wel de Führer en het Derde Rijk.

Siegfrieds vader, Friedrich Pfaffrath, is eveneens in Rome; hij heeft het op zich genomen zijn uit de dood herrezen zwager Judejahn te ontmoeten en hem te helpen met zijn rehabilitatie; zelf heeft hij het in de Bondsrepubliek al weer tot een hoge bestuursfunctie weten te schoppen. Siegfrieds broer, Dietrich, is net zo’n meeloper als zijn vader: in principe een gul hart voor het nazisme, tenzij het de loopbaan schaadt.

In De dood in Rome verschuift het perspectief van het ene familielid naar het andere met opvallend bruuske overgangen, die soms zelfs binnen één zin plaatsvinden. Wanneer het perspectief bij Siegfried ligt, staat het verhaal in de eerste persoon, in de andere gevallen in de derde persoon. Je zou de gekwelde componist daarom de hoofdpersoon kunnen noemen, maar de centrale figuur is toch Judejahn. Het pure kwaad heeft in fictie vaak een grote bekoring, en dat geldt zeker voor deze onverbeterlijke fascist. Door inzicht in de zwakte (een jeugdtrauma) van zijn personage te geven, maakt Koeppen hem niet minder huiveringwekkend - integendeel. Zijn seksuele agressie vormt samen met zijn antisemitisme een explosief mengsel, waarvan de joodse Ilse Kürenberg het slachtoffer wordt. Zij en haar man, die Siegfrieds symfonie dirigeert, vervullen slechts bijrollen, maar zijn de ware helden van het verhaal. Deze kosmopolieten koppelen idealisme aan pragmatisme en weten ondanks hun verdrietige verleden van het leven te genieten. Na afloop van het concert komt Ilse oog in oog te staan met de familie Pfaffrath-Judejahn, die rechtstreeks verantwoordelijk is voor de moord op haar vader.

Verschoten stroblond haar

De grote rol die het toeval in het verhaal speelt, gaat ten koste van de geloofwaardigheid, maar dat is het enige dat er op deze intrigerende roman valt aan te merken. De kracht van De dood in Rome zit in de innerlijke monologen van gelaagde, interessante personages, in de rijke intertekstuele humuslaag (van Homerus tot Thomas Mann), in de ‘boodschap’ dat het nazisme na de oorlog voortleefde, maar ook in vormexperimenten. Koeppen was geen radicale vernieuwer, hij vertelt een begrijpelijk, lineair opgebouwd verhaal, maar zijn roman bezit prikkelende ‘atonale’ kenmerken, zoals de onlogische perspectiefwisselingen en een gedurfde stijl die af en toe tot expressionistische erupties komt. Hier wordt bijvoorbeeld het kapsel van Eva Judejahn beschreven: ‘het grijzende verschoten stroblonde haar, tarweschoof op de akker gebleven toen onder dreigend donderdreunen de verschrikte knechten vluchtten, dit haar gevlochten tot een strenge vrouwenknot om het bleke gezicht langschedelgezicht vierkantekingezicht kommergezicht schrikgezicht uitgeteerd uitgebrand een doodskop als het teken dat Judejahn op zijn dienstpet had gedragen’. Spookachtiger kan het niet.