Snel geradicaliseerde, depressieve islamisten

Door alle terreurdaden in de wereld hoor ik de gesprekken om mij heen veranderen. Eigenlijk is dit het seizoen om over het weer te praten. Dat het in Nederland óf te warm óf te koud is – dat soort small talk. Maar in plaats daarvan hoor ik mensen zeggen dat ze nu echt bang beginnen te worden. Dat het lijkt of de wereld gek is geworden; dat je iedere dag overal slachtoffer kunt worden van een aanslag.

In het Midden-Oosten leven mensen al heel lang in dergelijke omstandigheden, nu zijn „wij” aan de beurt – wij in Europa.

Doordat er momenteel vrijwel dagelijks over nieuwe aanslagen wordt bericht, raken we ook steeds meer vertrouwd met het jargon dat daarbij hoort. Zelf heb ik nog steeds moeite met het woord islamiStisch. In het NOS Journaal gebruikte Jeroen Wollaars het de afgelopen week verschillende malen in verband met de aanslagen in Duitsland.

Volgens de Dikke Van Dale betekent islamistisch ‘van, behorend tot het islamisme’. En islamisme is volgens dit woordenboek een stroming van moslims die geen scheiding van kerk en staat wil. Een aanhanger van het islamisme heet islamist. Volgens sommige naslagwerken betekent dit tevens ‘moslimextremist’ of ‘fanatieke moslim’.

In principe zou een fanatieke moslim heel vredelievend kunnen zijn, net zo vredelievend als een fanatieke jood of een fanatieke christen. Dit zouden gelovigen kunnen zijn die zich zeer streng aan de regels van hun geloof houden. Maar in de praktijk duidt het woord fanatiek in deze combinatie – vooral in de combinatie met moslim – op gevaar. Fanatieke gelovigen zijn niet vredelievend, maar potentiële aanslagplegers.

De media maken een onderscheid tussen islamiet en islamist om te voorkomen dat alle moslims op één hoop worden geveegd. Met een islamistische aanslag wordt een aanslag van een moslimextremist bedoeld; niet van een moslim die gelooft in een bestuursvorm zonder scheiding tussen kerk en staat.

In de berichten over recente aanslagen horen we steeds vaker over aanslagplegers die in korte tijd zijn geradicaliseerd. De impliciete boodschap is: daar is niks tegen te beginnen. De veiligheidsdiensten kunnen iemand die langzaam radicaliseert op het spoor komen, maar iemand die snel radicaliseert is net zo moeilijk te vinden als een lone wolf – om nog een ander woord uit het terrorismejargon te gebruiken.

De allergevaarlijkste combinatie lijkt: een alleen handelende, snel geradicaliseerde islamist met een depressie. Tot voor kort werd het woord depressie vooral geassocieerd met gevaar voor zelfdoding: met geweld tegen zichzelf dus. Maar in de huidige profilering van de moslimextremist lijkt dit de laatste druppel: een depressieve islamist neemt het liefst anderen mee de dood in.

Wat mij stoort aan dergelijke profileringen is dat ze zo simplistisch zijn. En dat ze vaak helemaal niet overeenkomen met de werkelijke achtergronden van de aanslagpleger(s). Bij veel recente aanslagen was de dader wel degelijk bekend bij de politie, maar blunderde de politie of veiligheidsdienst. Of kon de politie of veiligheidsdienst simpelweg niet meer doen omdat we nu eenmaal in een westerse democratie leven, waar je volgens de huidige regels niet kunt worden opgesloten voor wat je leest, twittert of op je facebookpagina post.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Reacties via post@ewoudsanders.nl of via Twitter: @ewoudsanders