Ruik, maar geniet met mate

Bloemen

Als er iets de zintuigen prikkelt, is het de bloem, zo blijkt uit een cultuurgeschiedenis over de bloem. Het gaat over bijen en kevers, en net zo goed over The Stones en Jon Bon Jovi.

‘Er landt een bij op een bloem. Ze bijt met haar kaken in de stuifmeelconus en krult die in een C-vorm. Ik hoor een geluid alsof iemand een lipscheet produceert, maar het komt van de bij: ze melkt de bloem met haar sonische vibratie! Het geluid dat ik hoor is een oude techniek om stuifmeel te oogsten: zoembestuiving. Bijen fungeren als levende stemvorken,’ schrijft Stephen Buchmann in Bloemen. Een cultuurgeschiedenis.

Die stemvorken intrigeren. Het blijkt een niet zo ver gezocht beeld. Buchmann vertelt dat ook mensen sommige bloemen kunnen melken, met een stemvork dus. De trillingen ervan doen stuifmeelkorrels botsen, waardoor ze bij honderdduizenden tegelijk uit de helmknoppen schieten. Bijvoorbeeld bij de tomaat. ‘Ga dus van tomatenbloem naar -bloem, word zelf zoembestuiver en een paar weken later volgt de beloning: smakelijke, zelf verwekte tomaten.’

De Amerikaan Buchmann is bestuivingsecoloog en entomoloog, en een smakelijk verteller. Zijn boek is om te beginnen een schitterende inleiding op the secret life of plants en de seksuele hulptroepen van Flora: bijen, kevers, vlinders, vliegen, vleermuizen en vogels. Nu denken we niet meteen aan seks bij een veldje madeliefjes of een chrysantenstruik, maar het blijkt een invalshoek die ons begrip van voortplantaardigheid stimuleert. En strikt genomen gaat het natuurlijk om procreatie. ‘Dankzij de dieren die van bloem tot bloem vliegen en onderweg het sperma van de bloemen (stuifmeel) verspreiden, kunnen mobiliteitsgehandicapte planten feitelijk gemeenschap met elkaar hebben.’

Bloemen geuren. Soms moet je die geur met mate genieten, zegt Buchmann. Narcissen ruiken lekker in de tuin, maar een bosje thuis doet al vaag aan grootmoeders kakstoel herinneren. Hij behandelt vragen als ‘wat is de halveringstijd van rozenparfum?’ De oude Egyptenaren probeerden deze te verlengen door middel van ‘zalfkegels’ (dierlijk vet dat de bloemengeur moet vasthouden). De Romeinse attar komt voorbij, olie uit rozenblaadjes. Mooi is de passage over de muzikale terminologie van de parfumeur (hoofdnoten, hartnoten en basisnoten), die aan zijn ‘geurorgel’ (een bureau met verdiepingen vol notenmateriaal) zijn reukwerken componeert.

Fascinerend is wat Buchmann schrijft over hommeltraining, bloemen in de windtunnel, Mahatma Gandhi die de voorkeur gaf aan katoenkransen en sandelhoutkralen boven bloemen, en de comeback van eetbare bloemen in de Westerse keuken. In laatstgenoemd verband wordt bevroren custard gememoreerd, gemaakt van buffelmelk, orchideeënbollenmeel, rozenwater en gekristalliseerde hars van de mastiekboom.

On a Bed of Roses

Bij een ondertitel als ‘cultuurgeschiedenis’ gaat het vaak om een historisch overzicht van wat schrijvers, dichters en filosofen door de eeuwen heen over een onderwerp hebben gezegd, en hoe kunstenaars dat in beeld hebben gebracht. Zo’n cultuurgeschiedenis is Bloemen niet in eerste instantie, al wijdt Buchmann er twee hoofdstukken aan. Daarin aandacht voor Dantes witte symboolroos (met heiligen op de bloem blaadjes), Shakespeare die viooltjes laat opbloeien uit het graf van Ophelia, Grimms Doornroosje, tot en met ‘Dead Flowers’ van The Stones en de hymne ‘On a Bed of Roses’ door hardrocker Jon Bon Jovi. In de beeldende kunst passeren onder meer Dürers Viooltjes (1503) de revue, Manets Mosrozen in een vaas (1882), Monets Wilde klaprozen (1873) en Warhols Do it yourself Flowers (1962). Fraai is Buchmanns oog voor de numismatiek: de kruipbraambloem op het Finse 2-eurostuk, de edelweiss op de Oostenrijkse shilling.

Het is betreurenswaardig dat het bloem-in-de-kunsten-deel in Bloemen niet verder is uitgebouwd. Zo ontbreekt de literaire entomoloog Jean-Henri Fabre (1823-1915). Zijn afwezigheid is des te opmerkelijker vanwege diens onnavolgbare beschrijving van een verschijnsel dat Buchmann zelf verwoordt als: ‘Een oude vorm van keverbestuiving is de zogenoemde mess and soil pollination, een term die mij doet denken aan orgieën, aan een zich volvretende, copulerende en schijtende menigte. En dat is precies wat er in de bloemen gebeurt.’

Verbazingwekkend is dat Buchmann weliswaar een hoofdstuk wijdt aan troostbloemen bij de Victoriaanse rouwverwerking, maar niets zegt over de laat-Victoriaanse lijkverwerking. Angst om levend begraven te worden leidde er toe de doden in hun kist in bovengrondse hallen op te slaan tot alle misverstanden omtrent daadwerkelijke levenloosheid was verdwenen. De kadaverstank moet er ondraaglijk zijn geweest. Om daar toch nog iets aan te verhelpen waren er… bloemen.

Dat neem niet weg dat Buchmanns bloemenboek een verrukkelijk leesboek is, vol lering en vermaak. Tot slot nog één mooi verhaal eruit: De Mexicaanse Yoeme kennen vijf werelden: woestijn-, droom- en nachtwereld, de mystieke en de bloemenwereld. Oudere mannen begroeten elkaar soms met de vraag ‘Haisa sewa?’ – ‘Hoe is de bloem?’