Kleine dingen

Het is tegen tienen als mijn zus op de stoep staat. „Is het oké als ik me even slecht voel?” vraagt ze. Ik knik en laat haar binnen. We zijn beleefd als het gaat om emoties. Checken eerst of de ander wel behoefte heeft aan gevoelens voor we ons eraan overgeven. In de woonkamer komen de tranen. Mijn zus vindt het gemakkelijker om op straat te kotsen dan te janken.

Ik wist dat het niet al te best met haar ging. Ze was weer aan het sporten en at nog gezonder dan normaal. Bij de meesten is dat een goed teken, maar in het geval van mijn zus is dat bezweren. Ze gelooft in maakbaarheid, leest op depressiefora dat lichaamsbeweging en liters visolie je er weer helemaal bovenop kunnen krijgen. Bij verdriet zijn dat soort dingen slechts zijwieltjes, om door te kunnen gaan zonder permanent in de berm te belanden.

„Het is Rob”, snikt ze. „En ik moet niét ongesteld worden!”, zegt ze er fel achteraan (dan wil ze elke relatie verbreken, zelfs die met haar hond). Ik wist dat het niet zo lekker ging tussen hen, ze hebben hun eerste zes maanden erop zitten en nu het rookgordijnen van acute verliefdheid optrekt, blijkt dat ze te weinig overeenkomen. Ik hoor dat vaak. Het lijkt wel alsof niemand nog iets gemeen heeft met elkaar.

Het grote probleem is echter het hoofd van mijn zus. Ze splitst bij acute emoties in verschillende versies van zichzelf. Dan is ze af en toe haar volwassen versie (‘natuurlijk moeten we niet verder, we zijn onverenigbaar’), haar tienerversie (‘niemand houdt van mij!’) en haar versie van middelbare-leeftijd (‘ik ben afgetakeld, niemand wil me nog!’). Ik heb in de loop der jaren geleerd om met iedere versie vooral niet in discussie te gaan. Liefde is lastig, vanaf ons twintigste zijn we op dat vlak of gek of beschadigd en komt niemand nog heelhuids van een kus af.

Heel af en toe steekt ook haar we-zijn-maar-biologische-machinesversie de kop op: „Ik zou willen dat ik zonder seks en knuffels kon”, snikt ze. „Klote-evolutie”. Ik stel voor om elke dag een beetje kamfer in haar eten te doen, maar ze duwt haar gezicht weer in haar handpalmen. „Het ergste is”, zegt ze, „dat je straks weer die hele riedel moet afdraaien: vrienden ontmoeten, schoonouders ontmoeten, weer je grenzen aangeven.” Dat is haar nuchtere versie.

Ik lijd mee en weet ook dat ze erbovenop komt. Ze heeft een ruggengraat van titanium. Ik weet dat die stijlwaaier aan persoonlijkheden ook betekent dat ze verschillende optimistische personages in zich heeft. Dat is iets waar ik me aan vastklamp als het slecht met haar gaat. Het zijn kleine dingen die soms grote steigers maken.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen