Hilversum,de Van Speykkazerne.

Wat had ik verwacht? Dat de forensische experts me de nog tamelijk gave lichamen van mijn ouders op een roestvrij stalen aanrecht ter identificatie zouden aanbieden, zodat er niet meer in ze gesneden hoefde te worden? Ik werd rondgeleid langs lege tafels in vertrekken vol apparatuur, waar specialisten met mondkapjes voor een soort generale repetitie opvoerden. Ik interviewde het hoofd Identificatie bij de lunch, en zei: ‘Ik heb mijn vader en moeder opgespoord in de velden rond Grabovo... en gevonden ook... en toen weer af moeten staan aan de Oekraïense hulpdiensten. Ik ben met hun kisten in een Hercules mee teruggereisd naar Nederland, en nu dien ik te wachten tot hun identiteit is vastgesteld om ze te kunnen begraven. Het lijkt wel of we met de lijken rondrennen om hun ziel op een dwaalspoor te brengen.’

Na de koelte binnen duizelde het me in de felle zon op het kazerneterrein. Ik verwonderde me erover dat de wereld nog vol leven was, met vogels vliegend van boom tot boom – en navenant geurde, zonder de putlucht van het dodenrijk. Ik zette mijn telefoon weer aan, en vond een boodschap van tante Naomi op de voicemail: ‘Het schijnt ineens heel slecht met je grootvader te gaan. Ik ga nu op weg naar het Zafnath-Paäneah.’ Er kwam nog een snik achteraan, en een zangerig: ‘Alles en iedereen gaat maar dood, alsof het niks is.’

Een stervende, dat was onder de gegeven omstandigheden welbeschouwd een wonder van leven. Ik belde haar terug. Ze zei: ‘Ze willen hem kunstmatig in slaap brengen. Ik heb ervoor gepleit hem zo lang mogelijk bij kennis te laten... zodat jij hem nog kunt spreken. Hij wil je iets vertellen. Iets dringends.’

Ik wilde een taxi bellen, maar Naomi was nog niet klaar.

‘Met zijn honderd jaar had hij best nog een tijd meegekund, maar door het wegvallen van Bekka komt er een eind aan zijn leven, zo is het gewoon. Die veertig kisten gisteren... net of het toen pas echt tot hem doordrong. Hij vlucht in de dood om zich te beschermen tegen het verdriet.’

Ik toonde mijn perskaart aan een militair bij de ingang, en hij maakte de poort voor me open. Omringd door een complete Keukenhof van nog net niet verlepte bloemen wachtte ik op de taxi die me naar opa Ban moest brengen. Gisteren hadden hier honderden mensen staan applaudisseren bij aankomst van de stoet lijkwagens. Nu was het rustig als op de hei, met een enkele eerbiedig traag passerende fietser. Wat was dat voor een gebod om een uit medeleven neergelegd boeket in de doorzichtige verpakking te laten? Misschien deed zelfs bij dit soort rouwbetoon de Hollandse zuinigheid zich gelden: zonde om zomaar open en bloot op straat achter te laten, die tulpen, ten prooi aan de zon... in hun omhulsel blijven ze langer vers. Peter van Straaten had eens een tekening gemaakt van een schouwburgdirecteur die op het toneel voor een volle zaal de steractrice een boeket bloemen overhandigt, en haar toefluistert: ‘De stelen schuin afsnijden... en dan in handwarm water.’

In de hitte en de stilte van het middaguur begon al dat cellofaan te knisperen als een oordeel. Het had iets van een zondoorstoofd lavendelveld in de Provence, vol tsjirpende krekels. Misschien moesten we in dit concert van denkbeeldige cicaden dan maar een aubade voor de MX17-doden beluisteren. Ik liet mijn ogen over de bloemenzee gaan, die in een paar minuten tijd aan het oog onttrokken werd doordat de zon tegen de binnenkant van het cellofaan een laagje condens legde, dat als verhullend matglas werkte. Waar bleef de taxi? Met het klimmen van de zon werd het dissonante geknister van viscosepapier indringender. Nu alle kleur uit de rozen en margrieten geweken was, liet in heel z’n bontheid het concertpubliek zich zien: de koala- en pandabeertjes, de teddy’s, de konijnen en lapjespoezen, en de overige knuffeldieren, soms met een lint tegen een boomstam bevestigd. Ze luisterden met serene kraaloogjes toe, zonder tot de menselijke zwakheid van het applaudisseren te vervallen.

Ik belde Branda. Ze beloofde naar het Zafnath te komen. ‘Maar, Naat, ik wil hem niet zien doodgaan. Ik wacht wel buiten op de gang.’

‘Moet je dit horen... zet je speakertje wat harder.’ Ik hield mijn smartphone boven de berg krakend en piepend glaspapier. ‘Raad eens.’

‘Het lijkt verdacht veel op wat ik in mijn hoofd hoor als het voor anderen alleen maar stil is. Tussen Zwitserse bergen of zo.’

‘Zo klinkt collectieve rouw in Nederland.’

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth