SRV-man rijdt zijn laatste rondes

Middenstander

Al 46 jaar rijdt Joop Zwaagstra met zijn rijdende winkel door Friesland. Met het verdwijnen van de huisvrouw verdween een groot deel van de klanten, maar de SRV-man bleef. Nu gaat hij zijn wagen verkopen.

Tekst Foto’s
Joop Zwaagstra, nog even SRV-man, aan het werk in Dokkum. „Ik heb altijd 80, 90 uur gewerkt, maar na mijn 65ste ben ik het rustiger aan gaan doen.”

‘Komt er een nieuwe?” De vraag ligt bestorven op de lippen van elke klant. Joop Zwaagstra (70) staat in zijn rijdende winkel en haalt zijn schouders op. „Ik weet het niet”, zegt hij tegen de een. „Ik denk het niet”, tegen de ander. Tegen mij: „Je wilt de mensen geen valse hoop geven.”

Al 46 jaar rijdt Zwaagstra met zijn waren door het Friese land. Eerst met een karretje op drie wielen, later met een busje en een karretje erachter en vanaf de vroege jaren 80 met een rijdende winkel. SRV heten deze wagens allang niet meer, maar Zwaagstra noemt zich nog wel SRV-man: „Dat is zo’n ingeburgerd begrip.” Op de voorkant van zijn wagen staat de naam van zijn vrouw, Tine. „Mensen zeggen ook vaak: ‘Daar komt Tine’, of: ‘is Tine al geweest?’”

„Wanneer hou je ermee op?”, vraagt mevrouw Dijkstra en ze zegt er meteen achteraan: „Nooit denk ik?” Ze woont in een verzorgingsflat waar Zwaagstra langs de deuren gaat. Hij haalt boodschappenlijstjes op bij mensen die slecht ter been zijn en pakt in zijn wagen de spullen. Voor mevrouw Dijkstra haalt hij krentenbollen, aardappelen, melk, vla en ‘bakken’, een oud Fries woord voor beschuit. „Ik hou ermee op zodra mijn huis verkocht is”, zegt Zwaagstra tegen haar, als hij de boodschappen op het aanrecht zet. Ze valt stil en kijkt hem ongelovig aan. Ze had het als grapje bedoeld. „Dan zijn we je kwiet!?” vraagt ze en kijkt alsof ze alsnog een ontkennend antwoord verwacht.

„Ze wist het nog niet”, zegt Zwaagstra als we weer naar de bus lopen. De meeste klanten heeft hij een paar weken geleden over zijn besluit verteld. Een besluit dat begon met een vraag van zijn vrouw, vorig jaar. „We hebben in onze omgeving een paar sterfgevallen gehad. Ook een man van mijn leeftijd. En toen zei Tine: ‘Als jou iets overkomt, dan zit ik met de bus en alles. Moet je er niet eens mee ophouden?’” Zwaagstra besloot met het hoofd, niet met het hart. Als het aan hem had gelegen had hij nog jaren doorgereden. Weken heeft hij er slecht van geslapen. Nu denkt hij er maar liever niet meer aan. Zolang ze hun huis niet hebben verkocht kan hij het nog een beetje voor zich uitschuiven, ook al hebben ze al wel een nieuw appartement gekocht.

Stukje uit de bijbel

„Toen ik vroeg of hij er mee wilde stoppen, zei hij: ‘Dan wil ik hier ook weg’”, zegt zijn vrouw Tine als we tussen de middag aan tafel zitten voor het eten. Elke dag, rond half een, staat hier de maaltijd klaar, al 46 jaar. Soep, brood en daarna leest Zwaagstra een stukje uit de Bijbel. „Ik wil al die herinneringen niet”, zegt hij. „Als ik stop met de bus gaan we ergens anders wonen, een nieuw begin.”

Al die herinneringen. Hij heeft het huis in 1979 zelf gebouwd, met hulp van vrienden en kennissen. Hun drie kinderen zijn hier opgegroeid. Zwaagstra laat me zijn loods zien, bereikbaar via de bijkeuken. Een grote koeling en houten rekken gevuld met kruidenierswaren. De kratten met brood staan op de grond, die gaan vanmiddag mee op zijn ronde door omliggende dorpjes. Vroeger hielpen zijn zoons mee met het inruimen van de wagen, tegenwoordig komt er wat schooljeugd helpen.

Zijn vrouw houdt de wagen een beetje aan kant en neemt de telefonische bestellingen op. „Tine doet voor, ik doe achter, zo hebben wij het altijd verdeeld. Ik heb vroeger gezien dat kruideniersvrouwen kratten sjouwden als de leveranciers kwamen. Tegen de tijd dat ze 60 waren liepen ze krom. Ik dacht, dat ga ik mijn vrouw niet aandoen.” We lopen terug naar de keuken die Tine inmiddels weer aan kant heeft. „Wel handig,” zeg ik, „u zit nooit verlegen om een pakje boter of suiker.” „Het zal wennen worden”, zegt ze. Als er bezoek komt hoeft ze nooit na te denken of ze wel genoeg in huis heeft. „Als de bus weg is zal ik boodschappen moeten gaan doen.”

Een dikke wijk

„De laatste der Mohikanen”, zo begroet Bennie van Boerum, eigenaar van een woonwinkel in het centrum van Dokkum, Joop Zwaagstra, die in zijn blauwe kruideniersjas de winkel in loopt. Hij kent hem al vanaf zijn vijftiende, zijn ouders waren ook al klant. Als we verder rijden zegt Zwaagstra dat de winkelstraten van Dokkum vroeger „een dikke wijk” voor hem waren. „Iedereen woonde boven zijn winkel en was klant bij mij. Nu is Van Boerum een van de weinigen. Er zijn veel kleine zelfstandigen weg en daar zijn ketens voor in de plaats gekomen.”

„Kijk wat bijzonder, een winkel op wielen!”, zegt een man die met zijn dochtertje voorbij loopt. We staan voor de winkel van juwelier Piersma. Een jonge man komt op Zwaagstra afgelopen en bestelt twee pakken koffie. „Zwaagstra komt hier al 35 jaar, al sinds mijn ouders hier begonnen. Nu heb ik de zaak overgenomen en Zwaagstra, die hoort daar bij, hij maakt onderdeel uit van het dagelijks ritueel.” De man van de SRV, van generatie op generatie een begrip. „Als hij er mee ophoudt haal ik die paar boodschappen bij de supermarkt, maar jammer vind ik het wel, er valt iets vertrouwds weg.”

Riekie Dortmond en Annie de Groot, die kletsend de bus binnenstappen, kunnen zich nog niet helemaal voorstellen dat de rijdende winkel niet meer komt. Als Riekie niet thuis is, staat er een mandje voor de deur met een boodschappenlijstje erin. „Hij heeft de sleutel; hij zet de boodschappen binnen en pakt geld uit een potje. Nooit een cent te veel.” Zwaagstra haalt de sleutels uit een laatje en houdt ze omhoog.

Toen Joop Zwaagstra in 1970 begon, waren er in heel Nederland zo’n 2.000 SRV-wagens. In Friesland reden er 400 rond. Nu zijn er nog maar 200 wagens in Nederland, waarvan zo’n 25 in Friesland. De rijdende winkel verloor na de jaren 70 terrein aan grote supermarkten met goedkope producten. Ook emancipatie speelde een rol: met het verdwijnen van de huisvrouw verdween een groot deel van de klanten. Zwaagstra heeft het zien gebeuren: „In de woonwijken is overdag niemand meer thuis.”

Rekje met ansichtkaarten

Zijn wagen is klein en smal, maar bergt een compleet assortiment aan dagelijkse benodigdheden. Achterin twee koelingen met verse waren, daarnaast aan de ene kant groenten en fruit, aan de andere kant brood en frisdranken. Sigaretten, bier en wijn, toiletpapier en bleekmiddel, dropjes, bonbons en stophoest. Er staat zelfs een rekje met ansichtkaarten. Aan moderniseren doet hij niet meer. De leren geldbuidel die hij kruislings over zijn schouder draagt gaat al meer dan twintig jaar mee, het leer kleurt donkerzwart.

Een pinautomaat heeft hij niet en hier en daar vertoont de bus aan de buitenkant een roestvlek. „Ik heb altijd 80, 90 uur in de week gewerkt, maar na mijn 65ste ben ik het rustiger aan gaan doen. Ik hou de klanten die ik heb, maar ik ga niet uit op nieuwe klandizie, die heb ik niet meer nodig. Maar voor een eventuele opvolger zal het moeilijk zijn om hiervan te leven.”

In de wagen en in de kerk

Zwaagstra kent zijn klanten en zijn klanten kennen hem. De ouderen zien hem ook elke zondag in de protestantse kerk, waar hij tot voor kort voorzitter was van de diaconale werkgroep. Soms moeten ze hun angst en twijfel bij hem kwijt. „Dan zeggen ze: ‘Meneer Zwaagstra, al die ellende en oorlog in de wereld, is God er eigenlijk wel?’ Dan zeg ik: heb je het Oude Testament gelezen? Gideon die zijn veertig zonen onthoofdde? Daar ging het er veel gruwelijker aan toe dan in de wereld van vandaag. En toen was God er toch ook?” Tussen de spruiten en de gebakjes heft Zwaagstra zijn handen ten hemel. „Dus waar ben je bang voor?”

„Een pak sûpe”, zegt een zestiger die de bus in stapt. En rekent een pak karnemelk af. Zwaagstra lacht om mijn verbaasde gezicht. Hij is geboren en getogen in deze streek. Groeide op als oudste zoon op een boerderij in Broeksterwald. Zijn vader stierf op zijn 46ste en toen stond Joop met zijn 18 jaar ineens aan het hoofd van het familiebedrijf. Twee jaar later trouwde hij met Tine, die uit het nabijgelegen dorpje De Valom komt. Zwaagstra had boerenbloed, hij was gelukkig op de veehouderij. „Maar toen kwam de ruilverkaveling. Je moest twaalf hectare land hebben, wilde je mogen uitbreiden. Wij hadden er vier.” Met pijn in het hart gaf hij het boeren op. „Ik heb het daar heel moeilijk mee gehad. Vooral in de zomer: de geur van vers gemaaid gras en al dat nieuwe leven op de boerderij. Ik heb het heel lang gemist.” Op de bus, als hij zijn plattelandsroute rijdt, krijgt hij dat oude gevoel van boer en buiten zijn weer een beetje terug.

Geen hobby of niks

Het besluit is genomen. Maar Joop Zwaagstra rijdt nog elke dag zijn rondes en houdt zijn voorraad op orde. Alles wacht op de verkoop van het huis. Hoe lang kan dat duren? Zwaagstra haalt zijn schouders op. Misschien voor altijd, lijkt hij te denken, misschien blijft alles wel gewoon zoals het is. „Ik weet eigenlijk niet wat ik zo meteen thuis moet doen. Ik heb geen hobby of niks. Daar had ik ook geen tijd voor, ik heb altijd gewerkt, 52 weken per jaar. Behalve toen de kinderen klein waren, toen nam ik drie weken vrij. Maar we gingen maar één weekje weg, naar het Sauerland of naar Oostenrijk.” Tegenwoordig gaat hij helemaal niet meer op vakantie: „Ik voel me niet lekker als ik hier weg ben, ik word er onrustig van.” Zwaagstra en zijn vrouw houden het op één keer per jaar een lang weekend naar een Van der Valkhotel: „Dan weet je dat het goed is, mooie kamers, lekker eten.”

Zijn afscheid wil hij niet vieren, hij moet er niet aan denken. Zolang mogelijk zal hij zijn rondes rijden. Als het zover is zal hij stukje bij beetje afscheid nemen en op het allerlaatst zijn waren in de aanbieding doen. Wat er overblijft kan hij voor een zacht prijsje wel kwijt aan een collega. En wat er gebeurt met de bus? Zwaagstra heeft nog geen idee. Ook daar moet hij niet aan denken.