‘Meest gewilde leider wint niet altijd verkiezing’

Democratie

Democratisch kiezen levert niet altijd de meeste gewilde leiders op. De nominatie van Trump is eigenlijk niet eerlijk, zegt hoogleraar Eric Maskin.

Reuters

Met een betere, eerlijkere verkiezingsmethode was Donald Trump niet de Republikeinse kandidaat voor het presidentschap van Amerika geworden. Dat beweert Eric Maskin, hoogleraar speltheorie aan de universiteit van Harvard en in 2007 winnaar van de Nobelprijs voor economie.

Het is volgens de hoogleraar klip en klaar dat de huidige manieren om presidenten op democratische wijze te kiezen niet automatisch de door het volk meest gewilde kandidaten aan de macht brengen.

Dat het niet tot veranderingen komt, heeft volgens Maskin te maken met de gehechtheid aan in eeuwen gegroeide democratische tradities. „Alleen een ramp of een bijna-ramp kan hervormingen bespreekbaar maken. Bijvoorbeeld een overwinning van Trump in november. Of van Marine Le Pen van het Front National bij de Franse presidentsverkiezingen in 2017”, zegt Maskin.

De Amerikaan is deze week in Maastricht voor het wereldcongres van speltheoretici in Maastricht. 650 geleerden uit deze tak van wetenschap komen daar bijeen. Speltheorie is een wiskundige discipline die bestudeert hoe beslissingen tot stand komen door conflict, concurrentie en samenwerking, terwijl individuen verschillende doelen nastreven.

Kandidaten rangschikken

De Harvard-hoogleraar pleit voor een systeem waarbij kiezers deelnemende kandidaten kunnen rangschikken. Hoeveel ze er rangschikken, mogen ze zelf weten. Dan wordt ook duidelijk wie hun tweede, derde en verdere voorkeur hebben. „Bij zo’n soort verkiezing was duidelijk geworden dat kandidaten als Michael Rubio, Chris Christie en ook Ted Cruz eigenlijk meer aanhang hebben dan Trump.”

Trump won nu 36 van de 45 voorverkiezingen, kreeg op de Republikeinse conventie 1.543 gedelegeerden achter zich, terwijl hij er aan 1.237 genoeg had gehad. Maar zijn overwinning is eerder vertekend dan afgetekend, zegt Maskin. „Dat komt doordat degenen met de meeste stemmen steeds alle gedelegeerden krijgt. Bij zijn zeventien eerste overwinningen, haalde Trump geen meerderheid. In Florida haalde hij slechts ongeveer een derde van de stemmen. Hadden in dat stadium niet meerdere kandidaten meegedaan, maar één overtuigende anti-Trump-Republikein, dan had die overtuigend gewonnen.

Er zijn meer beroemde voorbeelden. Bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2000 was de uitslag in Florida doorslaggevend. Maskin: „George W. Bush won er met ongeveer zeshonderd stemmen verschil van Al Gore. Maar tegelijkertijd gaven zo’n honderdduizend mensen in die staat de voorkeur aan een derde kandidaat, Ralph Nader. Als hen was gevraagd te kiezen tussen Bush en Gore, had een overweldigende meerderheid zijn stem gegeven aan laatstgenoemde.”

Maskin noemt ook de Franse presidentsverkiezingen van 2002. In de eerste ronde haalde de rechtse kandidaat Jacques Chirac 19,9 procent, de extreemrechtse Jean-Marie Le Pen 16,9 procent en de socialist Lionel Jospin 16,2 procent van de stemmen.

Maskin: „In het Franse systeem betekende dit dat Chirac en Le Pen de kandidaten werden in de beslissende tweede ronde. Terwijl Jospin het, blijkt uit alle onderzoeken, in een rechtstreeks duel met Le Pen gemakkelijk had gewonnen. Tegen Chirac mogelijk ook.”