In het hun toegemeten vak, waar camera’s geen toegang hadden, zweetten en huilden de nabestaanden.

Betonnen landingsbaan op tropische zomerdag, dan kwam de hitte van boven en van onderen. Op het station van Torez had de trein met doden in de zon staan rotten – en nu landden ze, gekist inmiddels, opnieuw in een haard van bederf. Ik verbeeldde me dat omstanders aan me konden ruiken dat ik vier uur lang met de kisten in een vrachtruim opgesloten had gezeten. Ik probeerde ongemerkt naar de zijlijn van het vak te schuifelen. ‘Waar ga je heen?’ vroeg Branda, die met me mee stiefelde. ‘Ik stink,’ zei ik. En zij: ‘Ik ruik niets.’ ‘Ik vroeg me opeens af of ik als nabestaande van twee doden recht heb op de intieme geur van al die andere.’

Daar kwam de volgende kist uit het donkere gat van de Hercules. Als de acht militairen hem op hun schouders hadden gehesen, stonden ze heel even roerloos, als om zich te concentreren op de vereiste gelijke pas. Op dat moment leken de vier aan onze kant, waarachter de andere vier wegvielen, met hun kist uit zwart papier geknipt, en drong het beeld van de kariatiden op de Akropolis zich op – totdat het silhouet met korte stap het zonlicht in marcheerde, en de vier weer acht werden onder een balk van honingkleurig hout. De chauffeur van de volgende lijkauto opende het achterportier om de kist binnen te laten. Als menselijke schaduwen van de carrosserie weggleden, explodeerde het opgepoetste chroom geluidloos in de volle zon.

‘Niet meteen kijken,’ zei Branda, ‘maar volgens mij zitten daar de koning en de koningin.’

Ik zag nu pas het carré van klapstoelen bezet door hoogwaardigheidsbekleders. De koningin, in een zwarte jurk, pinkte juist met roodgelakte nagels de tranen uit haar ooghoeken. Aan haar andere kant zat de premier, die de afgelopen dagen consequent over de repatriëring van ‘onze mensen’ had gesproken als hij hun stoffelijke overschotten bedoelde. De vrij krachtige noordoostenwind, die over de kale landingsbaan aanrolde, kreeg vat op kapsels en stropdassen. De vertegenwoordigers van hof en staat waren daar gegroepeerd als een klein symfonieorkest, aangetrokken ter verwelkoming van hoge gasten op een luchthaven – maar dan zonder instrumenten. De enige muziek was afkomstig van de trompettist, die met de Last post de komst van elke geloste kist aankondigde. De ceremonie hield geen rekening met Branda’s tinnitus. Bij elke serie trompetstoten drukte ze haar oren dicht: ‘Anders sta ik de rest van de week zelf de Last post te blazen.’

Als de trompet zweeg, restten in de stilte alleen nog de vinnige tikjes waarmee nylon touw de holle aluminium vlaggenmasten ranselde, als om de aandacht te vestigen op de tien verschillende nationaliteiten van de slachtoffers.

De ceremonie voltrok zich traag, plechtig en zorgvuldig. Na de vierentwintig kisten uit de Hercules kwam men aan die van de Australische Globemaster toe, nog eens zestien. Ik moest denken aan hoe dezelfde lichamen waren weggevoerd van de rampplek: in vals blikkerend zwart landbouwplastic, eerder versleept dan gedragen door telkens vier bergers. In meerderheid waren het kompels uit de lokale mijnbouw, met het zwart nog rond de ogen. Als iemand zich zo’n gladde hoekpunt liet ontglippen, zodat het lijk op de grond rolde, werd er luid gevloekt. Ik had begrepen dat er in Nederland meteen al, onder politici en andere brave televisiekijkers, stemmen opgingen over ‘respectloos gesol’ met menselijke resten. Nu ik hier op Eindhoven Airport was, signaleerde ik vooral een troostende overeenkomst tussen twee plechtigheden. In de Donbas een primitieve boerendans van rouw rond lijken op een zinderend veld bezaaid met wrakstukken... hier een perfect gechoreografeerd samenspel van militairen met een kist op de schouders. De narokende, geblakerde schroothoop van een autokerkhofsjacheraar had plaatsgemaakt voor het rechte lijnenspel van een aangeveegde landingsbaan rond twee massief zwijgende militaire vrachtvliegtuigen. De ruwe achterkant en de gepolijste voorkant van dezelfde rouw... de doden werden er niet mee tot leven gewekt, maar het voelde op de een of andere manier goed om van beide varianten getuige te zijn geweest.

‘Je huilt,’ zei Branda. Zolang ze zich maar op de tenen verhief om haar hoofd op mijn schouder te leggen, zodat dichtbij mijn oor haar mond met gefluister kon volstaan, was er niets aan de hand. ‘Ik zie tranen.’

‘Wat wou je eraan doen?’

‘Straks... thuis.’

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth