Huisje

Je kon het regelen van een gezinsvakantie met een gerust hart aan mij overlaten. Nieuw met deze materie kwam ik op het laatste moment met een centerparcshuisje op de proppen. Een ‘cottage’ op een park bij Chaumont-sur-Tharonne, veel noordelijker hadden ze ze niet meer.

Ik had nog steeds geen rijbewijs maar slaagde er toch in om een behoorlijk stempel op de heenweg te drukken. Met de mobiele telefoon in de hand, het lichaam regelmatig in rare posities over de bijrijdersstoel gewrongen om maar van alles in het opengesperde bekje te stoppen, loodste ik vriendin en dochter over Franse omwegen.

De temperatuur in het blik was toch nog hoog opgelopen toen we tegen middernacht verfomfaaid het beloofde land binnenreden. De geüniformeerde bij de slagboom gaf ons zonder woorden een plastic zak met sleutels en een plattegrond en gebaarde waar we de auto moesten neerzetten want het was een autovrij park.

De speurtocht door het donkere bos met kinderwagen naar het juiste huisnummer was er een om nooit te vergeten. Ik zei dingen als „Het is in ieder geval ruim opgezet”.

De cottage was vierkant en had iets hallucinerends met een oranje, een groene en een gele muur. Daar was alles en tegelijkertijd ook niets. De dochter had binnen een minuut de zwakke plek in het kindvriendelijke concept ontdekt. Het kostte de nodige moeite om de plastic ring die rondom een verwarmingsbuis had gezeten weer uit dat mondje te peuteren.

Op het park stonden overal bordjes met de tekst ‘les insectes sont nos amis’, ook een manier om de heersende muggenplaag te verkopen. Nou, niet bij ons. We sloegen ons ’s nachts een ongeluk met die handdoekenpakketten van acht euro vijftig.

Op dag drie waren we gewend.

De andere mensen likten van ijsjes, sommigen hadden een golfkarretje gehuurd om zich van en naar het epicentrum – een glazen bol met een supermarkt, een bakker en vier restaurantjes – te verplaatsen waar ik iedere dag onze handdoeken vol bloed ruilde voor nieuwe.

Het krioelde er van de kinderen, je moest kijken waar je liep. Hun ouders hingen tegenover elkaar in stoelen, propten zich vol en wisselden niets meer uit. Soms dacht ik dat het poppen waren waarvan de batterijen verwisseld moesten worden.

Op ons mini-terras las ik twee boeken en wachtte ik tot het voorbij was. Het nieuws was dat een eekhoorn het stokbrood van mijn bord pikte. Eerst dacht ik dat ik nul herinneringen had opgebouwd, maar toen ik gisteren weer wifi had miste ik die schele bok van de kinderboerderij.