Eigenaardige charme

Wim Sonneveld moet zich ontmaskerd hebben gevoeld. De kritieken op zijn cabaretprogramma Rim Ram, dat op 7 januari 1959 in première ging in het Nieuwe de la Mar-theater in Amsterdam, waren overwegend zuinig. Bijna alle recensenten lieten zich misprijzend uit over het niveau van de teksten. Maar veel erger was wat Jan Spierdijk, de criticus van De Telegraaf, over Sonneveld schreef. Ondanks alles bleef men „in de ban van die man, die voor een man een eigenaardige, persoonlijke charme bezit”, aldus Spierdijk.

Een voor een man eigenaardige charme? Sonneveld meende precies te weten wat er met die woorden werd bedoeld. Spierdijk had hem neergezet als een man die dus iets feminiens uitstraalde. En dat kon niets anders betekenen dan: een homo.

Wim Sonneveld (1917-1974) hield zijn privéleven angstvallig buiten de schijnwerpers. In de jaren veertig, toen zijn cabaretcarrière begon, en in de jaren vijftig en zestig, die zijn gloriejaren waren, sprak men slechts verholen over homoseksualiteit. Voor een artiest die de mensen onbekommerd aan het lachen wilde maken, was het onverstandig openlijk homoseksueel te zijn. Dat zou zijn carrière ernstig kunnen schaden.

Toen het publiek vanaf de late jaren zestig ruimdenkender werd, kwam die omslag voor Sonneveld te laat. Hij had zich nu eenmaal de houding aangemeten van iemand die over zulke zaken niet sprak. „Ik heb geen zin mijn privéleven bloot te leggen”, zei hij. „Daar heeft niemand recht op. Ik interesseer mij toch ook niet voor het privéleven van de mensen in de zaal?”

Daar kon ook de ontwerper Benno Premsela, homo-voorvechter met open vizier, niets aan veranderen. Hij drong er bij Sonneveld op aan uit de kast te komen, om daarmee zichzelf tot een ideaal rolmodel te maken. Maar de cabaretier was niet te vermurwen.

„Hoewel Sonneveld een duidelijk homoseksueel leven leidde, hield hij zijn privéleven afgeschermd voor het grote publiek”, vertelt de kleine tentoonstelling Gay achter de coulissen , die tot 19 augustus te zien is in het gebouw voor Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. De recensie van Jan Spierdijk, die dit zo treffend illustreert, ligt er niet bij.

Sonnevelds vriend Huub Janssen vertelde me ooit dat de cabaretier zich destijds per woedende brief over de recensent wilde beklagen. Slechts met grote moeite wist Janssen zijn vriend er echter van te overtuigen dat zo’n brief het alleen nog maar erger zou maken.

In zijn memoires schreef Jan Spierdijk later dat Sonneveld zich aan de gewraakte passage had gestoord „omdat er iets in zou doorschemeren van wat toen niet duidelijk gezegd mocht worden”. Hoe hem dat ter ore kwam, zette de criticus er niet bij. En wat hij er zelf precies mee had bedoeld, vertelde hij evenmin. Hooguit stipte hij heel voorzichtig aan dat er iets in Rim Ram niet klopte: enerzijds die eigenaardige, onmannelijke charme en anderzijds de scènes waarin Sonneveld zich als „een oppassend huisvadertje” gedroeg of lieflijke vrouwen bezong.

Ook over de afloop bleef Spierdijk vaag. Maar blijkbaar werden de gemoederen gesust: „Het werd allemaal niet zo heet gegeten als het werd opgediend. En nadat de misverstanden uit de weg waren geruimd, was er tussen ons altijd een aardige band.”

Frits Abrahams hervat zijn column in augustus