De laatste Samaritanen zijn niet zo barmhartig

De Palestijns-Nederlandse journalist Kefah Allush reist in ‘Van Nablus naar Ninevé’ door het Midden-Oosten. Hij wil de kijker geen oordeel opdringen.

Kefah Allush in ‘Van Nablus naar Ninevé’ (EO)

Goed begin: Kefah Allush, documentairemaker en presentator van Van Nablus naar Ninevé (EO), snoept als aftrap van zijn serie van een traditionele lekkernij uit zijn geboortestad. Kanafeh, een straatsnack van kaas, deeg en honing. Hij neemt een hapje, en wat vindt hij ervan? „Mijn vader is er gek op, ik vind het, eh”, aarzelt hij, „heel zoet.” Dat kun je geen oordeel noemen.

De betekenis van die scène valt niet meteen op, zo’n culinair hapje lijkt het geijkte reisprogrammabegin. Maar zoiets past eigenlijk nauwelijks in het concept van Van Nablus naar Ninevé, dat in zes afleveringen door het Midden-Oosten trekt om „vergeten en vaak bedreigde volken, met een onbreekbare wil om te overleven” te portretteren, heet het. Waarom dan dit begin? Om schoon schip te maken, zo lijkt het. In dit gebied is dat nodig. Om te laten zien dat Allush, een Palestijns-Nederlandse journalist, ons geen oordeel wil opdringen. Nog niet eens over een onschuldige delicatesse. Hij is zijn criticasters voor – want een geboren Palestijn die in de Palestijnse stad Nablus een ‘bedreigde’ minderheid portretteert zal van zijn documentaires toch wel een stil pleidooi voor de Palestijnse zaak maken, zeker? Niet, dus.

In de eerste aflevering maakt Allush die niet-oordelende houding in elk geval waar. Zo is hij wel barmhartig in zijn portret van de Samaritanen, die met z’n zevenhonderden op de Westelijke Jordaanoever leven, maar hij toont zich geen regelrechte voorvechter. Ondanks dat hij zelf Samaritaanse genen heeft, volgens een priester: hij heeft een Samaritaanse oorlel!

Maar met een oorlel ben je er nog niet. De Samaritanen zijn naar hedendaagse maatstaven niet zo barmhartig. Ze geloven in de eerste vijf Thora-boeken, tamelijk orthodox. Om het volk in stand te houden is uitsluiting gebruikelijk: mannen mogen wel met iemand „van buiten” trouwen, waarna de vrouw in de familie wordt opgenomen. Vrouwen die een jood of christen huwen, worden verstoten.

Dat wordt pijnlijk duidelijk uit het verhaal van de Israëlische tv-beroemdheid Sofi Tsedaka. Haar zus werd verliefd op een jood, haar vader weigerde dat af te keuren en werd verstoten door de gemeenschap, met familie en al.

Het moment dat nog het meest beklijft is Allush’ gesprek met drie Samaritaanse jongeren, „hippe, moderne kinderen”, die de keuze tussen blijven of breken nog niet hebben hoeven maken. Zouden zij familiebanden verbreken? De jongen antwoordt afstandelijk: „Er zijn al verschillende vriendschappen en familiebanden verbroken.” Allush dringt aan: zouden zij dat zelf ook doen? Ze aarzelen. „Persoonlijk zou ik het contact niet verbreken. Maar volgens mijn geloof moet ik het wel.”

De jongeren slikken de eeuwenoude dogma’s en reproduceren die met gemak. Ze herkennen bovendien hoe strenge regels de gemeenschap samenbinden, hoezeer het helpt om hun naaste lief te hebben als zichzelf. Toch denken ze misschien wel liberaler dan goed voor de Samaritanen is. Of dat ook érg is, dat het volk zo door externe invloeden én van binnenuit bedreigd wordt? Oordeel zelf.