‘Ze lieten honden op ons los’

Hongarije

Vluchtelingen hebben niets te zoeken in ons land, zegt de regering in Boedapest. Ali ondervond de problemen aan den lijve.

‘Ik dacht dat ik zou sterven.” Acht maanden waren Ali (20) en zijn zestienjarige broertje met een groep vluchtelingen onderweg vanuit Afghanistan naar Europa. In de bossen bij de Servisch-Hongaarse grens stuitten ze op een groep mannen. Een aantal van hen droeg een blauw uniform met rode insignes: het tenue van de Hongaarse politie. Anderen waren gekleed in camouflagepakken, zo zouden Ali – een gefingeerde naam – en zijn metgezellen later verklaren aan een onderzoekster van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW).

Waren het soldaten of lokale burgerwachten? Ali kan het nog steeds niet met zekerheid zeggen. Voor ze goed en wel begrepen wat er gebeurde, werden de mannen, vrouwen en kinderen in zijn groep gekneveld met plastic boeien, bewerkt met knuppels en bespoten met pepperspray. „Ze lieten de honden op ons los. Die beten een kind bij zijn oog.”

De rivier ingedreven

Twee andere leden van Ali’s groep bevestigden het voorval aan HRW. Negen anderen meldden vergelijkbaar geweld langs de zuidgrens. Daar heeft de Hongaarse regering, bekend om haar ongenadige anti-migratiebeleid, naar eigen zeggen 10.000 militairen en politie-agenten ingezet. In juni eiste de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR al opheldering over de verdrinkingsdood van een 22-jarige Syriër, die volgens andere vluchtelingen door de Hongaarse ordediensten de rivier de Tisza was ingedreven.

De persdienst van de Hongaarse regering gaat niet in op de vraag van deze krant of er een onderzoek komt naar het vermeende politiegeweld tegen Ali en zijn groep. Er wordt slechts verwezen naar een verklaring van president Orbáns stafchef, János Lázár, dat het „een leugen en ongefundeerde beschuldiging [is] dat de politie wie dan ook in elkaar geslagen heeft”.

„Hoezo leugen?” zegt Ali. Op een terras in Wenen toont hij op zijn smartphone foto’s van zijn vrienden met bebloede gezichten. Wanneer hij zijn broekspijp opstroopt, trekken grote, verkleurde littekens de aandacht. „Een hondenbeet”, zegt Ali. Achter hem zitten buurtbewoners aan de brunch, een DJ draait wereldmuziek. „Ik ben gelukkig hier”, zegt hij. Twee maanden na de brute beproeving zijn hij en zijn broer dan toch in Oostenrijk, waar een deel van zijn familie al jaren woont.

Bomaanslag in Kabul

Ali en zijn broer woonden in de Afghaanse hoofdstad Kabul. Nadat hun ouders bij een bomaanslag om het leven waren gekomen, wilden enkele neven het huis inpikken. „Zo gaat dat in Afghanistan wanneer je geen nabije familie meer hebt om je te beschermen.”

Ali spreekt de naam ‘Hongarije’ met afkeer uit. Hadden hij en zijn broer zich niet precies gehouden aan de regels? Nadat de Kroatische grens in maart voor vluchtelingen werd gesloten, zat hij klem in Servië. Ze besloten zich aan te melden bij het officiële Hongaarse asielregistratiepunt in Horgos: een hek in een met vuilnis bezaaid veld bij de snelweg. Een maand lang werd Ali niet doorgelaten. Blootgesteld aan het grillige weer en verstoken van wc’s, kampeerde hij er met honderden anderen.

Het 175 kilometer lange grenshek met Servië telt twee van dergelijke ‘draaideuren’. Per post worden slechts vijftien mensen per dag Hongarije binnengelaten, aldus de UNHCR, die eerder al fel verzet aantekende tegen de praktijken van de Hongaarse regering.

Eenmaal in de omheinde strook waar asielaanvragen worden behandeld, blijkt het wachten zinloos. Na 13 dagen moest Ali de zone weer verlaten, terug naar Servië, met een afwijzing op zak en documenten in een taal die hij niet begrijpt.

Ali besloot toen maar onder het hek door te kruipen, dwars door de ‘jungle’ die Servië van Hongarije scheidt. Daar liepen ze recht in de handen van de geüniformeerde mannen die hen onderwierpen aan een twee uur durende geweldsorgie. Ali: „Na de mishandeling namen de agenten selfies en zeiden ze ‘Welkom in Hongarije’.” Daarna werd de hele groep terug naar de andere kant van het hek gedreven, met enkele klappen ter uitgeleide.

Overbelaste rechters

Mensen zomaar terugsturen is volgens de UNHCR „in strijd met EU- en internationale wetgeving.” Maar twee maanden nadat het Ali en zijn vrienden overkwam, heeft de Hongaarse regering dat beleid gelegaliseerd: iedereen die zich ‘acht kilometer’ van de grens bevindt, wordt automatisch naar Servië teruggestuurd.

Maar Ali gaf niet op. Wonden verzorgen dus, en toch maar weer op de legale manier proberen: ditmaal bij de andere draaideur in het plaatsje Tompa. Ook hier zat hij een maand vast, maar dan komt de verlossing: dankzij de juridische achterstand van de Hongaarse rechtbanken wordt hij overgeplaatst naar een open asielcentrum in de buurt van de Oostenrijkse grens. Hij besluit te doen wat de meeste vluchtelingen doen: hij neemt een taxirit tot bij de Oostenrijkse grens en legt het laatste stukje te voet af. „De Oostenrijkse politie was zo goed voor ons,” zegt hij. „Zij hadden geen honden.”

In het centrum waar hij nu verblijft – een omgebouwd herenhuis met een grote tuin in de buurt van Wenen – deelt hij een schone, ruime kamer met vijf andere jongens. „Het is hier bijna te mooi.” Nog steeds is hij bang dat de asieldienst hem straks terugstuurt naar Hongarije. Maakt zijn verhaal een verschil? „Hier hebben ze moeite om me te geloven,” zegt hij. „Veel mensen denken dat het gemakkelijk is om hierheen te komen als vluchteling, maar ze hebben geen idee hoe zwaar het echt is.”