Ratten met pluimstaarten

Flessenpost uit de VS

Schrijfster Pia de Jong woont met haar gezin in Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Even op bezoek in Europa, stond ik vorige week met mijn gezin achter een hek in de Jardin des Plantes, de charmante, ietwat sleetse Parijse stadsdierentuin. In het grote vertrek was zegge en schrijve één eekhoorn te zien. Na even turen zagen we haar zitten achter een boom in het riante buitenverblijf, knabbelend op een stukje croissant. Ze keek ons brutaal aan, met een uitdrukking van „kijk mij eens lekker zitten hier in mijn mooie Parijse appartement”.

„Komt voor in Noordoost-Amerika”, stond er op het bordje. We vonden dat allemaal erg grappig, alsof je in een Amerikaanse dierentuin een groot vertrek ziet met daarin een enkel exemplaar van de Amsterdamse stadsduif. Hier in bosrijk Princeton struikelen we letterlijk over de eekhoorns.

Als drukke baasjes springen ze van boomtop naar boomtop, schreeuwen de hele dag naar elkaar en de vogels, en rennen achter elkaar aan over tuinhekken en elektriciteitskabels als in een tekenfilm. Onze hond heeft geen schijn van kans als ze er een probeert te vangen. Heel slim verschuilen ze zich altijd aan de andere kant van de boom, terwijl onze hond dommig rondjes loopt.

De eekhoorn vormt in de Verenigde Staten een plaag. De diertjes zijn hondsbrutaal. Ze stelen het brood uit je handen, zitten als ongenode gasten op je terras en als je niet uitkijkt wippen ze via de keukendeur naar binnen. Ze zijn ook zeer onvoorzichtig en steken zonder uit te kijken de straat over. Om de haverklap wordt er een aangereden, zelfs door fietsers.

Het is moeilijk voor te stellen, maar vóór 1850 was er geen eekhoorn in de stad te vinden. Ze scharrelden rond op het platteland, waar de boeren hen beschouwden als dieren in de categorie vossen en muizen; er werd op hen gejaagd. Af en toe werden ze als schattig huisdier gehouden. Als er al een in een stadspark werd gezien dan was dat een ontvlucht huisdier.

Pas halverwege de negentiende eeuw werden eekhoorns systematisch in stadsparken uitgezet om mensen te verleiden meer tijd in de natuur door te brengen. Door eekhoorntjes te voeren konden ook eenvoudige mensen een goed doel steunen en kon hun naastenliefde worden bijgebracht, bedacht men in deze paternalistische tijd.

De beestjes konden zo prachtig bedelen, keurig rechtopzittend met de handjes vroom voor zich gevouwen. De diertjes gaven inspiratie voor de meest gevoelige gedichten. Kranten spraken schande over iedereen die ook maar een eekhoorntje kwaad deed. Snel pasten de diertjes zich aan hun nieuwe stedelijke omgeving aan. Het ging hun goed. Heel goed. Véél te goed. De eekhoornpopulatie explodeerde. Ze waren inmiddels in iedere boom in elk park te vinden. Tegelijkertijd gebeurde er iets in de mensenwereld: het schattige vragen om eten werd nu gezien als irritant gebedel. De eekhoorns waren ineens uitvreters die op kosten van anderen leefden. De uitkeringstrekkers van het dierenrijk die zich liever lieten voeren dan ook maar een dag voor hun eigen eten te werken. Ratten met pluimstaarten.

Tegen deze achtergrond kan ik me heel goed voorstellen dat de Amerikaanse neefjes met verbazing en jaloezie kijken naar hun Parijse tante, die alleen een groot appartement in het 5de arrondissement bewoont, iedere dag de chicste Franse liflafjes krijgt gevoerd en met een nep-Frans accent bewonderende bezoekers toespreekt, de voorpootjes voor de borst gevouwen.

Reacties naar Pdejong@ias.edu