Over de toekomst van Europa en andere zaken

michielkrielaars0

Verontrust over de toestand in de wereld begaf ik me voor wat wijze raad naar historicus W.H. Roobol, emeritus hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Want wie kan je die anders geven dan een wijze oude man zoals hij. Ook leek het me goed om de begrippen oud en wijs, die tegenwoordig synoniem lijken te zijn voor saai en overbodig, in een tijd van wankelende bondgenootschappen, radicale islam en populistische politici wat op te waarderen.

Aan de koffie in Amstelveen kalmeerde de professor me allereerst over de Brexit. „Anders dan veel politici en media beweren, is er geen reden tot paniek”, zei hij. „De Britten zullen de schade voor hun land zoveel mogelijk beperken door de Brexit ongedaan te maken of een associatieverdrag à la Noorwegen en Zwitserland met Brussel te sluiten.”

Wel voorzag hij een struikelblok: de migratie. Want het is de vraag of de EU vrijheid van goederen wel zal toestaan en vrijheid van personenverkeer niet.

Toen we het over kortzichtige politici als Boris Johnson kregen, wees de professor me op de tiende stelling bij zijn proefschrift uit 1974: ‘Politieke duidelijkheid is een contradictio in terminis’. Gevraagd of er sindsdien veel was veranderd, zei hij: „Politici zijn nog even vaag als vroeger. Dat ligt in de aard van de politiek.”

Het waren relativerende woorden, die mijn zorgen over de toekomst van Europa echter niet verminderden, zeker niet toen de professor zijn pessimisme over de EU uitte. „In mijn afscheidsrede in 2000 heb ik al beweerd dat het met Europa nooit echt iets zal worden, omdat de politieke belangen van de lidstaten te veel uiteenlopen.”

Hierna kwamen we op Poetins annexatie van de Krim, waar hij over zei „Ik praat het niet goed, want Rusland schendt internationale verdragen. Wel kan ik het tot op zekere hoogte begrijpen, omdat Rusland territorium terug wil dat het in de jaren negentig heeft verloren tijdens een traumatisch dekolonisatieproces. Bedenk hoe Nederland worstelde met de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea, die we zelfs met militair optreden wilden verhinderen. En dan waren de Russen tot 1991 ook nog eens gewend om in termen van een Grote Mogendheid te denken.”

Ter onderbouwing van zijn stellingname wees hij me op een gelijkenis tussen het Sovjet-rijk en de EU. „Net als de Sovjet-Unie is de EU in wezen ook een soort imperium. Je kunt het conflict over Oekraïne daarom zien als een botsing tussen twee imperia die hun macht proberen te vestigen.”

De professor neigde er opnieuw naar de zaken te relativeren. „Politici zouden dat ook moeten doen,” zei hij tot slot, „maar ze moeten er dan wel voor zorgen dat het met zo min mogelijk bloedvergieten gebeurt.”