Bekende Texelaar

David Pelt is geen doorsnee Texelaar. Op een eiland waar slechts een paar procent van de bevolking van niet-westerse komaf is, valt hij op met zijn Aziatische uiterlijk.We zitten op een steen vlakbij zeehondencrèche Ecomare. Fietsers en auto’s razen voorbij. In de verte klinkt de housebeat van de jeugdherberg. „Vind je het erg als ik een sigaretje rook?”, vraagt hij.

„Nee”, zeg ik. „Ga je gang.”

We kijken naar de ijsbrommer die voor ons staat. Een voertuig dat zijn leven veranderde. David vertelde erover in een nieuwsbrief en sindsdien is hij een BT’er, een Bekende Texelaar. Tegen wil en dank, want „ik houd mij liever op de achtergrond”.

David is geboren in de Filippijnen. Hij werd geadopteerd toen hij een paar maanden oud was. „Ik heb lang een leegte in mezelf gevoeld”, zegt hij. „Daar heb ik hard aan moeten werken.”

In Hoorn, de stad waar hij opgroeide, heeft hij „dingen meegemaakt die niet fijn waren”. Veel wil hij er niet over kwijt, behalve dat hij op straat rondhing en dat het altijd erger kan. „Ik heb gezien hoe vrienden zichzelf verloren.”

Zeven jaar geleden verhuisde hij naar Texel. Hij vond onderdak bij Novalishoeve, een zorgboerderij voor jongeren met psychiatrische problemen of een licht verstandelijke beperking. De eerste jaren woonde hij in een woongroep, daarna in een appartement. In zorgjargon heet dat ‘een verdienwoning met ambulante begeleiding’.

„Even wachten”, zegt David. „Daar komen klanten.”

„Doe mij maar twee bolletjes aardbeien”, zegt de man. Zijn vrouw gaat voor de citroenkwark met chocola. „Ook twee.”

David duwt het deksel van de kar omhoog. Op zijn gemakje perst hij de bollen op de hoorntjes. „Dat is dan 5 euro”, zegt hij.

Toen de coördinator van Novalishoeve hem een jaar geleden vroeg of hij het zelfgemaakte ijs van de zorgboerderij wilde gaan venten, keek David vreemd op. Híj, ijscoman?

Maar de condities waren aantrekkelijk. David ging werken via een uitzendbureau. Zijn Wajong-uitkering kwam niet in gevaar. „Het was een kans”, zegt hij. „Kansen moet je zien en sommige moet je grijpen.”

Twee vrouwen met hun dochters melden zich bij de kar. Er wordt druk overlegd. „Weet je zeker dat je aardbei wilt”, vraagt een van de moeders. „Dan moet je straks niet gaan zeuren, hè.” De andere moeder wil weten wat duindoorn is. „Iets met een besje, toch?”

David staat hen rustig te woord. Hij houdt wel van een praatje. Maar als de rij voor zijn kar langer en langer wordt, zit hij van binnen „te shaken”. „Er zijn dagen dat er dertig man staan te wachten. Dan moet ik uit mijn comfortzone, elke keer weer.”

Natuurlijk zijn er ook perioden dat hij zich kapot verveelt. Maar een gevoel van dankbaarheid overheerst. Met mooi weer is het ritje van de zorgboerderij naar Ecomare een genot. Hij kijkt naar de boshyacinten en de grazende hooglanders. Dat ik dít mag meemaken, denkt hij dan.

Als de volgende klant zich meldt, kijkt David achterom. „Zeg, wil jij ook een ijsje?”

„Maar ik heb geen wisselgeld bij me”, stamel ik. David haalt zijn schouders op. „Dan betaal je morgen toch? Ik durf het wel aan.”

Frits Abrahams hervat zijn rubriek in augustus.