‘Mijn vader zei: pas je aan, dan krijg je kansen’

Khais Rahmanie (26) besloot, toen hij als jonge asielzoeker naar Zwolle werd gestuurd, alles te doen om onafhankelijk te zijn. Het lukte hem een master sportrecht te volgen bij Real Madrid en daar stage te lopen bij de juridische afdeling.

Foto Merlijn Doomernik

In het hoofd van Khais Rahmanie (26) zingen tientallen oneliners rond. Het zijn uitspraken van bekende Nederlanders die hij de afgelopen jaren in interviews hoorde: „Je moet goed beslagen ten ijs komen” (Bram Moszkowicz). „Soms is het wedijveren in een spanningsveld waarin je niet thuishoort” (Peter R. de Vries). „Je moet niet denken dat ik fluitend door het leven ga” (Theo Hiddema).

Op weg naar de universiteit zette Khais (26) zijn koptelefoon op om talkshows te beluisteren. Uitspraken die hij mooi vond, noteerde hij in een boekje. „Ook als het onderwerp mij niet aansprak of als ik niet wist waar het over ging. Ik wilde bewijzen dat ik op eigen kracht goed Nederlands kon leren.”

Khais werd geboren in de Afghaanse hoofdstad Kabul als middelste van drie kinderen. Zijn vader was diplomaat, zijn moeder studeerde aan het Franse lyceum. Zijn ouders stonden bekend om hun liberale opvattingen. „Mensen keken tegen ons op. De toekomst was veelbelovend.”

Hij vertelt dat zijn geboorteland bestaat uit zes etnische groepen, met zes verschillende talen. De Rahmanies zijn Tadzjieken uit het noorden. „Vaak denken mensen dat Afghanistan onderontwikkeld is, maar vóór de burgeroorlog was het een moderne staat.” De burgeroorlog brak begin jaren negentig uit nadat de Sovjet-Unie zich uit Afghanistan had teruggetrokken en er een machtsstrijd ontstond onder de moedjahedien (islamitische strijders). Het gezin vluchtte via Rusland en Duitsland naar Nederland.

Khais was elf toen hij in het opvangcentrum in Zevenaar terechtkwam. „Ik herinner me dat vluchtelingenkinderen aan één stuk door ondervraagd werden. Daarna moesten we wachten op een stem uit een luidspreker. Toen de stem zei: ‘de familie Rahmanie gaat naar Zwolle’, wisten mijn ouders niet wat dat betekende. „Is dat goed nieuws?”, vroeg ik. „Ja, zei iemand. Daar hield ik mij maar aan vast.” Uiteindelijk vestigde de familie zich in Amsterdam.

De stem uit de luidspreker werd voor Khais het symbool van afhankelijkheid. En als hij ergens moeite mee heeft, dan is het dat. „Het is vreselijk naar de gunsten of goedkeuring van anderen te moeten dingen. Al jong nam ik mij voor carrière te maken, zodat ik mij nooit meer afhankelijk zou hoeven voelen.”

Khais heeft lang gedacht dat hij door hard werken zijn doel zou bereiken in Nederland. Hij wilde een voorbeeld voor zijn broertje zijn. „Maar voor de buitenwereld bleef ik die jongen uit Amsterdam-West met dat platte accent. Dat frustreerde me.”

Zijn vader probeerde hem op te peppen, zegt Khais. „Hij zei dat ik niet moest blijven hangen in het verleden, niemand zat te wachten op ellende. ‘Probeer een lach op je gezicht te toveren en uit te vinden wat mensen van je willen’, zei hij. ‘Pas je aan, dan krijg je kansen in je nieuwe thuisland’.”

Het was een goed bedoeld advies, zegt Khais, die zijn vader op handen draagt. „Maar al die rollen hebben mij in verwarring gebracht. Ik weet wat ik waard ben, maar ik kijk door de ogen van anderen naar mezelf. Ben ik inderdaad minder waard door mijn achtergrond of uiterlijk? En hoe kan ik bewijzen dat die dingen niets zeggen over wat ik kan? Negatieve verwachtingen leidden bij mij tot positieve prikkels.”

Khais was zestien toen zijn vader zelfmoord pleegde. Hij lijdt er nog steeds onder en probeert met hard werken de pijn te verzachten. „In mijn geboorteland is zelfmoord een taboe. Afghanen zeggen: ‘die is verongelukt’. Ik vind het tijd dat we dat taboe doorbreken. Voor zelfmoord hoef je je niet te schamen.”

De benedenburen zagen hoe zijn vader zijn dood tegemoet sprong. Zelf durfde Khais niet over de balkonrand te kijken. Toen hij de politie belde werd hij in de boeien geslagen. „In Amsterdam-West zorgden Marokkaanse jongens voor veel overlast. De politie vertrouwde het niet helemaal.”

Twee dagen lang werd Khais verhoord. Toen vaststond dat hij niets met de dood van zijn vader te maken had, mocht hij naar huis. Daarna ging het snel. Moeder Rahmanie en haar kinderen kregen hulp van gemeentelijke instanties. Khais kwam in 5 havo. Hij haalde zijn diploma en volgde een rechtenstudie aan de hogeschool en de universiteit.

Tijdens zijn stages op de Zuidas moest hij wennen aan de omgangsvormen. De xenofobe grappen vlogen hem om de oren. „Ik werd ‘de bommenlegger van Kabul’ genoemd. Aan een collega die te laat op zijn werk kwam, werd gevraagd of ’ie was ‘uitgewoond in de darkroom’. Nu kan ik erom lachen, maar toen dacht ik: is dit de advocatuur?”

Op de dag dat hij aan zijn master Ondernemingsrecht begon, droeg Khais een pak, net als zijn medestudenten. De hoogleraar roemde de nieuwelingen. Ze zagen er goed uit, hij glom van trots. Dat het ook anders kan, had de hoogleraar gemerkt toen hij een paar jaar eerder les gaf aan een bachelorklas: ‘Achterin de collegezaal zaten twee jongens in trainingspak met een pet op.’ Een van die jongens was Khais. Dat heeft hij nooit tegen de hoogleraar gezegd. „Maar zijn opmerking is mij altijd bijgebleven. Kennelijk is imago belangrijker dan intelligentie.”

Khais maakte zijn opleiding af, maar heeft zich nooit thuis gevoeld in de Nederlandse advocatuur. Er knapte iets in hem toen een collega grapte dat hij voor een Marokkaanse overvaller door zou kunnen gaan. Khais stond voor een keuze. „Ik kon in de slachtofferrol kruipen of mijn geluk elders beproeven.”

Op de bonnefooi reisde hij naar Spanje. Hij had gelezen dat Real Madrid een master sportrecht aanbood in samenwerking met de universiteit. „Sport is mijn passie. Als mijn leven anders was gelopen, was ik nu profvoetballer geweest. Maar een opleiding bij de mooiste voetbalclub van de wereld leek mij ook prachtig.”

In die eerste maanden in Madrid dacht hij vaak aan zijn vader als hij met een waterflesje en broodtrommel door de stad zwierf. Wat zou hij van zijn stoutmoedige plan hebben gevonden? Khais kende geen woord Spaans, maar maakte zichzelf opnieuw de taal eigen. Toen hij voldoende zelfvertrouwen had, stuurde hij een motivatiebrief naar Real Madrid.

Nog steeds weet hij niet hoe hij door de strenge selectieprocedure is gekomen. „Maar ik voelde wel dat de club keek naar wat ik kan, niet waar ik vandaan kom.” Dat gaf zelfvertrouwen, ook al voelde Khais zich opnieuw een buitenstaander tussen de nazaten van topbestuurders en sponsoren uit de Spaanse en Zuid-Amerikaanse voetbalwereld. „Het liefst breng ik mijn tijd in Madrid door met mensen die tussen wal en schip zijn geëindigd.”

Real Madrid is volgens Khais niet het gesloten bastion waar het vaak voor gehouden wordt. „Ik stond een keer in de wc toen Roberto Carlos binnenkwam. Mijn jeugdheld Carlos, nu manager bij de club! Hij vroeg of mijn stage bij Real beviel. Toen hij hoorde dat ik fan van hem was, zijn we naar buiten gegaan voor een foto. Carlos nam alle tijd, ik wilde schreeuwen van geluk.”

Zijn afkomst zal hij altijd met zich mee blijven dragen, beseft Khais. En als jurist ontkomt hij er niet aan een rol te spelen. „Maar mijn doel is zó goed te worden, dat mensen mij niets meer kunnen maken. Dat is haast onmogelijk in deze wereld, maar het is wel mijn streven.”

Begin deze maand ontving Khais zijn diploma uit handen van Real-voorzitter Florentino Pérez. In oktober gaat hij als stagiaire aan de slag bij de gerenommeerde sportrechtjurist Juan de Dios Crespo. „Wie weet kan ik ooit terugkeren bij Real Madrid. Ik zou het eervol vinden daar als topjurist aan de slag te gaan. Maar zoals de levensloop van mijn vader bewijst: garanties bestaan niet.”