Kamer, debatteer over corruptie, want justitie staat machteloos

Opinie De taakstraf voor politicus Jos van Rey staat in schril contrast met de ophef over zijn ambtsmisbruik. Daarom moet dit grijze gebied onderwerp van politiek debat worden, vindt Ronald Kroeze.

©

Twee jaar celstraf. Dat was de eis van het OM tegen Jos van Rey wegens corruptie, witwassen, stembusfraude en schending ambtsgeheim. Op 12 juli was het vonnis echter een stuk milder: 240 uur werkstraf voor het voormalig Eerste Kamerlid en oud-wethouder van Roermond.

Mager resultaat, vinden velen. Zeker als je kijkt naar de ernst – corruptie – en de omvang van het strafdossier – 110 ordners, 15,5 gigabyte aan pdf-bestanden en 80 getuigenverklaringen. Ook het feit dat hij door de media en zijn eigen partij, middels royement, al ‘schuldig’ was bevonden. Van Rey zelf voelt zich ‘gepakt’ en gaat – net als het OM – in hoger beroep. Justitie is ontevreden want ‘een beetje corrupt bestaat niet’. De vraag is echter of dit laatste wel klopt en hoe we deze tegenstrijdigheden moeten duiden.

Corruptie is het misbruiken van een publieke functie en het ondermijnt het vertrouwen in het politiek-bestuurlijke systeem. Corruptie als zodanig komt niet voor in het strafrecht en moet daarom altijd nader gepreciseerd worden, bijvoorbeeld door omkoping of ambtsmisbruik aan te tonen. Corruptie is zo bezien vooral een politiek en moreel vraagstuk, een ‘grijs gebied’. Dat neemt echter niet weg dat beschuldigingen geen gevolgen hebben gehad. Zo blijkt ook uit de geschiedenis van corruptie. Bovendien past het debat over Van Rey in een Nederlandse traditie.

Tijdens WOI speelde de zaak-De Jong, een Kamerlid voor de Liberale Unie en voorzitter van de ‘rijkscommissie van toezicht op de peulvruchtenvereniging’. Hij werd beschuldigd zichzelf ‘geldelijk te bevoordelen’ en bevriende ondernemers te voorzien van gevoelige informatie ‘in een publieke functie verkregen’.

De commissie was een van de vele ‘crisisinstellingen’: publiek-private organisaties die de handel en voedselvoorziening moesten waarborgen tijdens de oorlog. Bemand door ambtenaren en ondernemers, gecontroleerd door Kamerleden. Publieke en private belangen raakten vermengd. En omdat de crisisinstellingen bepaalden wat mocht worden verhandeld, door wie en tegen welke prijs, kwam vriendjespolitiek en machtsmisbruik voor.

In 1915 oordeelde de landbouwminister dat een strafrechtelijke veroordeling niet hoefde, maar wel dat De Jong moest aftreden. Journalisten en benadeelde ondernemers vroegen zich af waarom hij niet zwaarder werd gestraft. De Jong zelf was echter diep geraakt en beëindigde zijn carrière. Ook in de zaak-Oss (1938/39) werd een moreel oordeel geveld. Oss draaide om de vraag of Carel Goseling, justitieminister en katholieke leider, macht had misbruikt door een marechausseebrigade opsporingsbevoegdheid af te nemen.

Daarmee wilde hij katholieke bestuurders en geestelijken, die verdacht werden van corruptie en seksueel misbruik, beschermen tegen justitieel onderzoek. De rechter brandde zich er niet aan en liet het over aan een parlementaire commissie. Die oordeelde dat Goseling niet had mogen ingrijpen in de rechtsgang om bestuurders en priesters te ‘beschermen’. Voor Goseling betekende dit einde carrière: hij bleef erbij dat de marechaussee ‘op hol geslagen’ was, voelde zich gekrenkt door media en politiek en trad af.

Zelfs bij de Lockheed-affaire (1976), toen een commissie bepaalde dat prins Bernhard als inspecteur-generaal zijn positie had misbruikt, koos de regering-Den Uyl voor een politiek-morele veroordeling: hij werd niet vervolgd, maar uit zijn functie ontheven en mocht voor straf geen uniform meer dragen. De media waren onthutst over de lichte straf. Bernhard zelf voelde zich beschamend behandeld.

Hoewel alle corruptieschandalen werden weggezet als incidenten (ook een Nederlandse traditie), gingen ze over structurele problemen en terugkerende vraagstukken: het reguleren van publiek-private samenwerking, de macht van grote politieke partijen in een polderland, de bijzondere rol van het Koningshuis. Dat verklaart waarom de spanning telkens zo hoog opliep.

Corruptie zal nooit verdwijnen, hoe hoog de straf ook is. Het interessante aan de zaak-Van Rey is daarom niet zozeer de strafrechtelijke uitspraak als wel wat het functioneren van politici als Van Rey, de jarenlange acceptatie van hun handelen en de plotselinge afwaardering ervan, zegt over het Nederlandse politiek-bestuurlijke stelsel. In hoeverre was dit een incident? Wat is het ‘grotere nut’ van deze zaak? Waarom speelt het juist nu op en niet eerder? Wat doen we ermee? De politiek zou daarover meer moeten debatteren ten bate van de blijvende verbetering van het bestuur.