De kisten bevondenzich nu alle veertig aan boord van de twee transportvliegtuigen: vierentwintig in de Hercules, zestien in de veel grotere Globemaster.

De nachtblauwe Oekraïense politiemannen salueerden een laatste maal hoog aan de pet, en marcheerden weg over de startbaan. Als ik niet kampte met koud zweet had ik het vast een mooi gezicht gevonden, al die schaduwen in ganzenmars over het lichtgrijze beton.

‘Meneer Haandrikman? U kunt aan boord.’ Voor me stond een piloot van de Koninklijke Luchtmacht. ‘Er is een plaats voor u gereserveerd in de Hercules.’ Hij controleerde mijn paspoort, en overhandigde me een ingevuld formulier, dat als reisbiljet dienstdeed. ‘Bagage is gecontroleerd... die mag u gewoon bij u houden.’

Ik schatte de afstand tot de Hercules op honderd meter. Opeens de zekerheid: tijdens die korte wandeling zou het gebeuren, vlak voordat ik een voet in het vliegtuig zette, en daarmee in zekere zin op Nederlandse bodem. Ik stak mijn armen door de banden van mijn rugzak: dan zou ik die bij de overmeestering niet zo gemakkelijk kwijtraken. Onder het lopen plakten de kleren aan mijn lijf, niet van de zonnewarmte. Er klonken voetstappen achter me: lichte, met een vrouwelijke klak. Ik keek niet om.

‘Niet zo snel, Natan. Ik heb maar korte benen.’

Ik hield mijn pas in, en keek in het vriendelijke gezicht van politiechef Jacinta Praxmarer, die me vorige week op de heenweg zo liefdevol had opgevangen. Ze zeulde aan elke arm een grote weekendtas mee. Ze droeg nu een uniform, dat haar goed stond en bepaald niet strenger maakte (wat misschien weer jammer was). Intussen stond ze aan het hoofd van zo’n tweehonderd politiemensen, de helft rechercheur, die met hulp van een tiental officieren van justitie op zoek waren naar de schuldigen achter de ramp – de grootste Nederlandse politiemacht ooit op de been gebracht voor de oplossing van één enkel misdrijf. Ik nam een van de tassen van haar over, en zo liepen we samen naar de brede aluminium loopplank die het ruim in voerde. ‘En, Jacinta... case closed?’ vroeg ik.

‘Je weet wel beter, Natan.’

‘Laat ik het dan zo vragen: nog vorderingen geboekt sinds vorige week?’

‘In dat geval mocht ik ze zeker niet delen met jou.’ ‘Ik beroep me op de Wet Openbaarheid Bestuur.’

‘Sleep me maar voor de rechter dan. Tegen dat de zaak voorkomt, hebben wij MX17 al lang opgelost.’

Ik werd niet door een Oekraïens arrestatieteam besprongen. Aangekomen bij de helling durfde ik pas echt achterom te kijken. Leden van de Nederlandse delegatie kwamen met bagage aangesjouwd, anderen namen nog afscheid van de aanwezige Oekraïense politici. Er stonden rechthoekige lijfwachten op de uitkijk, maar die hadden geen oog voor mij. Ik pakte Jacinta bij de elleboog, en hielp haar naar boven.

‘Zo, nu kunnen ze ons niets meer maken,’ zei ik. ‘We zijn op Nederlandse bodem.’

‘Het is maar hoe slecht je geweten is,’ zei Jacinta. Ze dempte haar stem bij de aanblik van de vierentwintig kisten, die in het midden van de grote laadruimte in twee rijen stonden vastgesjord. Allemaal van dezelfde lichte houtsoort, met geslepen bolletjes op de plaatsen waar het deksel zat vastgeschroefd. Op de zijkanten een etiket met een code van twee letters en drie cijfers, die ik onmogelijk met mijn ouders in verband kon brengen. Wat had ik dan verwacht? Naam en toenaam, compleet met geboortedatum? Toch voelde ik, van heel nabij, hun aanwezigheid – sterker nog dan toen ze, binnen en buiten de kippenloods, open en bloot op de grond hadden gelegen (maar weer minder sterk dan in de koelwagon).

Tegen de wanden rijen vliegtuigstoelen. Jacinta begaf zich dieper het ruim in, daarbij telkens even, met een vegend gebaartje, een kist aanrakend, meer alsof ze steun zocht. Ik volgde haar voorbeeld, met dit verschil dat ik een zacht klopje op het hout gaf. Jacinta koos een zitplaats. Ik zette de tas aan haar voeten, deed mijn rugzak af, en ging naast haar zitten. Het interieur werd verlicht door hardplastic bakken ijskoud buislicht, dat akelig contrasteerde met de zon buiten op de landingsbaan. Opeens drong tot me door wat ik het meest miste in dit vliegtuig: vensters. Wie goed rondkeek, ontdekte er een paar, hoog aangebracht in de verder blinde wanden vol apparatuur. Het gaf me een claustrofobisch gevoel. Als ze straks, na de ontdekking van mijn medeplichtigheid, een paar MiG’s achter ons aanstuurden om de Hercules tot landen te dwingen, zouden er niet eens raampjes zijn om ze te zien aankomen.

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth