Armoede is zó begeerlijk

©

De aanstaande kledingzaak in Amsterdam Zuid had vast, ter opwekking, een grote foto in de etalage gezet van een modieus gekleed meisje. Hoge hakken. Gescheurde jeans. Uit haar broek hangend gekreukeld hemd.

Niets aan de zaak leek te suggereren dat hier straks goedkope mode verkocht zou worden. Dus die broek met die scheuren erin, dat gekreukelde overhemd, er zou straks een flinke prijs voor betaald moeten worden.

Soms zie je zoiets dan ineens door de ogen van iemand uit Afrika, of India, iemand die heeft gespaard en hard gewerkt om naar Europa te kunnen, iemand die droomt van beter en mooier en rijker.

Niet zo lang geleden hoorde ik van een man die voor zijn bedrijf in Vietnam werkte over een uitje dat het bedrijf had georganiseerd. Voor de teambuilding enzo. Ze gingen naar een vakantiedorp dat hutjes in traditionele stijl had, heel eenvoudig en romantisch, vlakbij het strand. Slapen op een houten brits. Sanitair ergens in een apart blok. Club Mediterannée Vietnamienne zeg maar.

De Vietnamezen die mee zouden gaan konden hun teleurstelling niet verbergen, sommige waren bijkans in tranen. Ze hadden met mooie kleren aan in een hotellobby willen zitten. In plaats daarvan moesten ze terug naar de armoe die ze nu juist ontstegen waren. Tegen flinke betaling ook nog, maar dat deed het bedrijf dan tenminste.

Het was typisch iets dat bedacht was door rijke Europeanen. Lekker primitief doen voor veel geld. Heerlijk!

Aan die dure gescheurde spijkerbroek kun je zien hoe rijk wij zijn. We verslijten onze kleren niet meer door veelvuldig gebruik, want we dragen ze maar kort en doen nauwelijks iets waarvan ze slijten. Alles blijft nieuw en netjes. Dat maakt als vanzelf het versletene en het gebruikte zeldzaam en zelfs begeerlijk. Denk aan al die borden en kasten die met quasi-afgesleten randjes in de winkels staan. (Nog steeds! Maar nu bij de goedkoopste winkels.) Gebruikt is zó begeerlijk dat hele dure broeken eruit moeten zien alsof we ze al jaren hebben.

Bij decadentie denk je aan Cleopatra in een bad van ezelinnenmelk, Romeinse consuls die zich complete gebraden pauwen laten opdienen, hermelijnen mantels die in de modder gegooid worden om de keizer eroverheen te laten lopen.

De moderne alledaagse decadentie zien we niet meer. Op internet staan allerlei ‘tutorials’ over hoe je zelf je broek ‘een versleten look’ kan geven. De werknemers in fabrieken in Bangladesh of Egypte waar met behulp van zandstralen aan spijkerbroeken een ‘versleten look’ wordt gegeven krijgen longklachten. Vanwege al het stof. Hm. Ben ik weer bezig as op ‘ons’ hoofd te strooien? Het is een modeverschijnsel, daar doe je niets tegen, in rijke tijden spelen rijke mensen dat ze arm zijn. Marie-Antoinette speelde herderinnetje in het Trianon. Het is slecht met haar afgelopen, maar dat is wel een erg makkelijk verbandje

Of is er nog iets anders aan de hand? De modieuze versleten broek ziet eruit alsof-ie gedragen is door iemand die een heel lange strandvakantie heeft gehad en met die broek in zee geweest is, geklommen heeft, er zijn handen aan af heeft geveegd na de barbecue, iemand die zei dat kleding hem niets kon schelen. Misschien is dat wel het geheime verlangen waaraan geappelleerd wordt: iemand te zijn die niet om kleding geeft. Die niet om geld geeft. Die ‘gewoon’ gelukkig is. Dus eigenlijk: iemand die rijkdom oninteressant vindt. Maar die er wel gevoelig voor is. Zó gevoelig dat-ie zich voor veel geld een ‘geld-is-zó-onbelangrijk’-spijkerbroek aanmeet. Oef. Als dat waar is, is het wel weer iets om je vrolijk over te verbazen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC