Watermolens gaven zalm de nekslag

Ecologie

Al in de Middeleeuwen werd zalm zeldzaam in de Europese rivieren. De vele watermolens verstoorden de voortplanting.

Watermolen van landgoed Hackfort in Vorden. Foto Frank van den Bergh

De zalm verdween uit Europese rivieren met de komst van watermolens in de middeleeuwen. Tot nu toe dachten ecologen dat de Europese zalmpopulatie instortte door vervuiling en overbevissing in de negentiende en twintigste eeuw, maar archiefonderzoek van Nederlandse ecologen laat zien dat de achteruitgang al ver voor het stoomtijdperk begon. Door watermolens raakten de grindbedden waar zalmen in paaien bedekt met slib. Woensdag beschreven ze hun bevindingen in Scientific Reports.

De Atlantische zalm (Salmo salar) is een Europese vis die vanaf zee rivieren opzwemt om te paaien. Vrouwtjes zetten hun eitjes af in grindbedden op de bodem van stromen en beken. Na de paaitijd sterven de volwassen zalmen, uitgeput van hun reis.

Ooit zwommen er zalmen in alle grote Europese rivieren, van de Seine tot de Maas en Rijn, maar tegenwoordig leven alleen in Ierland, Schotland, IJsland en Noorwegen nog gezonde populaties.

Snoekgraten

Wanneer ging het mis met de Europese zalm? Om dat uit te zoeken, verzamelden ecoloog Rob Lenders en zijn team van de Radboud Universiteit in Nijmegen oude rekeningen, visserijstatistieken en verslagen van visveilingen. Daaruit bleek dat de zalmstand al in de middeleeuwen afnam. Vanaf het jaar 1250 werden zalmen duurder, een teken van schaarste. Ook op middeleeuwse vindplaatsen in Nederland, België en Frankrijk vond men steeds meer graten van snoek, en minder van zalm.

Ook de vangstcijfers wijzen op een middeleeuwse achteruitgang. Een middeleeuws visbedrijf in Montchaton in Normandië bijvoorbeeld, ving in de veertiende eeuw jaarlijks nog 350 zalmen. Maar tegen het einde van de 15e eeuw waren het nog maar drie of vier. Hoe valt die trend te verklaren?

Met watermolens. Vanaf de elfde eeuw werden rivieren en beken in Engeland en op het Europese vasteland langzaam volgebouwd. Uit een inventarisatie die Willem de Veroveraar in 1086 liet uitvoeren in Engeland, en liet optekenen in het Domesday Book, blijkt dat in het land toen al 5.600 watermolens draaiden.

De zalmen werden vooral gehinderd door de dammen die voor watermolens werden aangelegd om een voortdurende waterstroom te garanderen. Elke dam vormde een extra barrière voor zalm in de lange trek stroomopwaarts. „Een zalm kan een dam van drie meter wel overspringen”, zegt Lenders, „maar daarbij gaat energie verloren die de vis niet meer in zijn voortplanting kan steken.” Dammen vertragen bovendien de waterafvoer van beken en rivieren. De bovenstroomse kiezelbedden waar de zalmen in paaien slibben dan dicht met zand en klei.

Beren en wolven

Het verdwijnen van de zalm moet ook gevolgen hebben gehad voor roofdieren als beren, wolven en roofvogels in Centraal-Europa. „Ooit zwommen er miljoenen zalmen door de Rijn en Maas”, zegt Lenders. „Dat is een enorme stroom van voedingsstoffen naar de bovenlopen van rivieren die plots stokte.”

In de periferie van Europa, in Schotland, Ierland en Scandinavië, bleven zalmen gespaard. Lenders vermoedt dat dat komt doordat in deze gebieden watermolens van een ander type gebouwd werden. Deze molens hadden geen groot, verticaal schoepenrad, maar een kleiner horizontaal wiel.

„Dat watermolens een belangrijke rol gespeeld hebben in de achteruitgang van de zalmbestanden is een mooi resultaat”, zegt Niels Brevé, onderzoeker bij Sportvisserij Nederland. „Maar het verlies van vispopulaties heeft nooit één oorzaak. Tussen 1850 en 1910 zijn in Nederland honderdduizenden zalmen uit de Rijn gevist. Overbevissing heeft écht een rol gespeeld bij het verdwijnen van de zalm.”

„Wij ontkennen niet dat verontreiniging en intensieve visserij grote gevolgen hebben gehad voor de zalm”, reageert Lenders, „maar in de tweede helft van de negentiende eeuw was de zalm volgens onze gegevens al met meer dan negentig procent afgenomen. Watermolens waren daarvoor verantwoordelijk.”