Nergens rust voor het oog

Wat kun je zien op plaatsen waar op het eerste gezicht niet zo veel is te zien? Een zomerse serie reportages door heel Nederland. Deel 4, oud cultuurland in Groningen.

Rien Zilvold

Nou dit is het dus. Het oudste cultuurlandschap van Nederland, volgens historici. De eigen website van Middag-Humsterland schroomt zelfs niet om te beweren: ,,Het oudste cultuurlandschap van Europa”.

Middag-Humsterland, in het noorden van Groningen, bestaat uit de vroegere (schier-)eilanden Middag en Humsterland. Middeleeuwse kerken, wierden die al bewoond waren voor het begin van onze jaartelling, boerderijen die hoog uitkijken boven het land – man, man, als je erover leest kun je je bijna niets opwindenders voorstellen dan dit gebied.

Ik loop over de Dode Laan, een ietwat modderig pad met links weilanden, nogal saaie weilanden met raaigras, rechts wat rommeliger gras, een paar schapen en een dijkje. Achter dat dijkje bevindt zich het Reitdiep.

Tjonge.

Wie zich niet heeft ingelezen, niet op een hoogtekaart heeft gekeken, nog niet op een wierde is gaan staan, wie gewoon maar wat over het Pieterpad sloft (want dat loopt hier langs) denkt hooguit dat het hier zo lekker groen, zo stil, ze blauw, zo vogelig is – wij horen hier in de hagen van Wierumerschouw de zeldzame mus. Die wandelaars zouden echt even stil moeten staan zodat je tegen ze zou kunnen zeggen: het is heel bijzonder dat het Reitdiep hier bijna recht loopt. Als jullie op dat dijkje zouden gaan staan zou je aan de andere kant van het water een slingerende dijk zien. Dat is de oude dijk langs de oude loop. „De oude bedding van die vaart was zo kronkelig dat de schippers een paar etmalen nodig hadden om een afstand af te leggen die men nu met matige wind in een kwartier afzeilt”, schrijft Jacob van Lennep die in 1823 dit landschap te voet doorkruiste. Het Reitdiep stond nog in verbinding met de zee, van Lennep zag een bruinvis zwemmen.

©

Jaja, zeggen die Pieterpadmensen mensen dan vaag. „Wat is eigenlijk raaigras?” Engels raaigras. Dat is een grassoort waar geen onkruid in groeit. Geen paardebloemen, geen madelieven, geen plotselinge plukken ruige sprieten of boterbloemen. Gras als een biljartlaken. Vinden de boeren makkelijk, maar je gaat dood van verveling als je ernaar kijkt.

De Pieterpadwandelaars zijn alweer doorgelopen. Het is een zonnige dag, wolken drijven over, het waait, het zilvert, het groent – het is weer dat Groningen ontzaglijk goed staat.

„Wat een enge naam trouwens, Dode Laan”, hoor ik ze nog tegen elkaar zeggen.

Het is omdat ze er doden overheen droegen naar de kerk, de kerk van Oostum die daar in de verte op een wierde ligt, schreeuw ik nog in de wind. Als je daaraan denkt, die boerenmensen met hun dode door dat lege land, op weg naar die minieme hooggelegen kerk, dan is het niet eng maar ontroerend. Of ontroerend: doorleefd.

Oostum is, voor wie het wil zien, idioot romantisch: de heuvel met bomen, de kleine huisjes in die rode kleur van Groninger baksteen en helemaal boven op de wierde de romaanse kerk van Oostum. In het noorden van Friesland, Groningen en Ost-Friesland, over de Duitse grens, staan nog dertiende en veertiende-eeuwse kerken, soms zelfs twaalfde-eeuws, meestal gebouwd met de hier gebakken grote bakstenen. Kloostermoppen. Sommige mensen zijn er verliefd op. De dertiende-eeuwse kerk van Oostum heeft gedeeltelijk kloostermoppen, gedeeltelijk nieuwere steen. Hij lijkt ontzaglijk hoog boven het landschap te staan omdat de wierde waar hij op staat nogal krap is afgegraven.

Een wierde is een woonheuvel.

Nee, het is niet ‘eigenlijk’ terp omdat ze die bulten in Friesland terp zijn gaan noemen, een ander woord voor dorp. Denk aan Bolsward, Leeuwarden, Ferwerd.

Sommige van die heuvels zijn dus van voor het begin van de jaartelling. Het moet hier toen een zeer waterige boel geweest zijn, de zee overstroomde steeds weer de pas gevormde kwelders. Toen er eenmaal gras groeide, werden die aangeslibde stukken land mooie grazige weitjes waar mensen graag hun vee op lieten weiden. Ze hoogden de hooggelegen wallen soms wat extra op. Veiliger. Nu ja, er was nogal eens een overstroming. Maar ze gingen dijken bouwen, zo’n beetje vanaf het jaar 1.000. Kijk, overal in het land liggen dijkjes. Wat een ingreep was dat, hoe vergemakkelijkten die dijken het bestaan van de mensen – al spoelden ze nog steeds wel eens met houten kerk en al van hun wierde af.

Minder vaak toen ze eenmaal stenen gingen bakken, vanaf de twaalfde eeuw. Overal stonden steenfabrieken, de steenrijken bouwden niet alleen voor God maar ook voor zichzelf een ‘steenhuis’. Later moest het steeds groter worden, bouwden ze geen huizen maar ‘borgen’. Sommige staan er nog – wie vanaf Oostum het Reitdiep richting Lauwersmeer volgt, komt langs de kleine vijftiende-eeuwse Allersmaborg. Vlakbij ligt de Aduarderzijl – een zijl is een sluis waardoor het water van het land weer naar zee kon stromen en niet omgekeerd.

Als je het eenmaal weet, is er hier eigenlijk niets wat niet verwijst naar hoe dit land ontstaan, of beter gezegd, gemaakt is.

Cultuurlandschap van het zuiverste water is het, al lijkt het nog zo ‘natuurlijk’. En ook wat door menselijk ingrijpen is veroorzaakt, is weer veranderd door nog meer menselijk ingrijpen. De wierdegrond bleek in de negentiende eeuw erg vruchtbare grond te zijn, die grond was geld waard. Dus werden in Friesland en Groningen de wierden afgegraven, met als gevolg dat je ze nu soms heel merkwaardig steil ziet oprijzen.

Pff. Wat een druk landschap eigenlijk. Al is er dan niets te zien.