Jij bent ook een mediahoer

Zomeravondgesprek Ze schrijven allebei over voetbal, ze schrijven over hun ouders, ze zijn columnist in het AD en ze hebben beiden last van angststoornissen. Hugo Borst en Özcan Akyol kennen elkaar maar zijn ongeschikt voor vriendschap. „Je bent een rare gozer. Zo rancuneus als de pest.”

Özcan Akyol (links) en Hugo Borst: ‘Krijgen wij een keer bonje, dan zijn we allebei te trots om dat vriendschappelijk op te lossen.’ Foto Lars van den Brink

Het eerste probleem rijst al bij binnenkomst. Özcan Akyol zit nog niet eens als hij het te berde brengt. „Ik dacht dat mensen elkaar niet mochten kennen voor zo’n zomeravondgesprek, dat ze niet bevriend mochten zijn.”

Zijn jullie vrienden dan?

Waarop zich onmiddellijk een discussie over vriendschap ontspint die de hele avond zal terugkeren. Want wat is vriendschap?

„Als je bij elkaar thuis komt”, zegt Hugo Borst.

In dat geval zijn ze geen vrienden, want Özcan is nog nooit bij Hugo in Rotterdam geweest en Hugo was nog nooit bij Özcan in Deventer.

Bovendien is dat een te makkelijke definitie, vindt Özcan. „Je bent vrienden als ik je kan vertrouwen. Als ik gelóóf dat ik je kan vertrouwen. En dat idee heb ik bij Hugo nog niet.”

In de wereld van Özcan wordt alles en iedereen met argwaan behandeld.

„Hetzelfde heb ik ook met jou”, zal Hugo later op de avond zeggen. „Je bent een rare gozer. Zo rancuneus als de pest. Ik hoef maar één fout te maken en ik hang in de hoogste boom. En dan huur je al je Turkse vrienden in om mij dood te maken.”

„Dat is een overdrijving die niet hoeft.”

„Wel grappig toch. Daar ben je gevoelig voor.”

Özcan kijkt hem aan: „Het is niet grappig en het raakt mij niet.”

„Ik zag je mondhoeken iets omhoog krullen. Krijgen wij een keer bonje, dan zijn we allebei te trots om dat vriendschappelijk op te lossen. Er zal een intermediair aan te pas moeten komen.”

Foto's Lars van den Brink

Foto’s Lars van den Brink

 

Ze hebben veel gemeen. Zijn beiden voetballiefhebber, schrijven erover, praten erover; Hugo heeft een seizoenskaart bij Sparta, Özcan bij Go Ahead Eagles. Hugo zat tijdens het EK bij Studio France, Özcan bij radioprogramma De Thuisblijvers.

Ze hebben beiden een column in het Algemeen Dagblad: Hugo vanaf 1995, Özcan sinds twee maanden. Ze schreven beiden een boek over hun ouders. Hugo over zijn moeder, die ziek is en in een verpleeghuis woont, Ma verscheen november vorig jaar. Özcan over zijn gewelddadige en destructieve vader, in Turis, dat begin dit jaar uitkwam. En ze hebben beiden angststoornissen, waartegen ze medicijnen slikken. Maar daarover later meer.

Er zijn ook veel verschillen.

Hugo groeide op in een harmonieus gezin in Rotterdam. Zijn vader, die begon als boekhouder en eindigde als adjunct-directeur van een middelgroot textielbedrijf, was „bijna perfect”. Hij overleed in 2008 op tachtigjarige leeftijd. „Hij heeft mij altijd in mijn waarde gelaten. Een ongelooflijk aardige, rustige man die veel conflicten heeft opgelost, in het textielbedrijf, bij de voetbalclub, in de flat, in de familie. Hij kwam altijd kijken als ik voetbalde, bleef als enige staan toen iedereen wegliep vanwege de slagregens. Een week later had hij een longontsteking.”

Keurslager

Özcan groeide op in een gewelddadig gezin in Deventer. Zijn vader is geboren in Turkije. Toen zijn eerste vrouw overleed, besloot hij te hertrouwen. „Als een soort keurslager ging hij naar een naburig dorpje om te kijken of daar nog wat rondliep. Daar zag hij mijn moeder.” Hij huwde haar: zij was zestien, hij dertig. In de jaren zeventig kwam zijn vader als gastarbeider naar Nederland, hij werkte in de moppenfabriek Thomassen & Drijver. „Wanneer hij precies kwam herinnert hij zich niet, het enige dat hij weet is dat Nederland een WK-finale verloor, dus het kan in 1974 of 1978 zijn geweest.” Özcans moeder volgde een paar jaar later.

Vraag je aan Özcan om zijn vader te beschrijven, dan zegt hij: „Hij is een narcist, nihilist, iemand zonder geweten, zonder zelfreflectie, sociaal totaal onaangepast, agressief. Een rokkenjager, een alcoholist. Hij is doortrapt, dat heb ik van hem. Geniet van andermans pijn, zal lachen als een klein kind valt.”

Hugo: „Maar dat is toch de omschrijving van een psychiatrische patiënt?”

„Ja, zo had ik het ook kunnen samenvatten”, zegt Özcan. „En hij is een pathologische leugenaar.”

„Jezus, ga je ook nog iets aardigs over hem zeggen?”

„Nou, hij is een levensgenieter, maar vooral ten koste van anderen.” De redactie van de regionale krant De Stentor belde eens naar zijn ouders om te vragen of ‘zo iemand’ echt bestond. „Dat bleek zo te zijn.”

Hugo, droog: „Jouw vader bevestigde dat.”

Hugo’s moeder was een zorgzame, soms dominante vrouw. „Ik had ontzag voor haar. Ik waagde het maar zelden om meer dan één koekje uit de trommel te halen, ze hoorde alles.” Opvallend, hij spreekt over zijn moeder in de verleden tijd, alsof ze dood is.

Zijn moeder weet dat hij over haar schrijft, eerst in het AD, daarna in een boek. Maar ze kan het niet lezen, ze is te ziek, en als ze het zou kunnen lezen, dan zou ze het het volgende moment al vergeten zijn – ze heeft vergevorderde Alzheimer. „Ik heb in het begin gezegd: Ma, ik ga ooit over je schrijven. Jongen, zei ze, ik vind het goed, als je het maar met genade doet.”

Met genade schrijven, het is hem gelukt.

Foto's Lars van den Brink

Foto’s Lars van den Brink

Özcan vertelde zijn vader niet dat hij een boek over hem ging schrijven. Dat deed hij niet bij zijn eerste boek, de geromantiseerde autobiografie Eus, en hij vertikte het ook bij zijn recente Turis. Bovendien, had hij het wel gezegd, dan had zijn vader het niet kunnen lezen – zijn ouders zijn analfabeet. Al eiste zijn vader, toen het hem ter ore kwam dat zijn jongste zoon een boek had geschreven waarin hij voor kwam, wel honderdduizend euro. Kwam natuurlijk niets van in.

Hugo heeft één broer, hij is zendercoördinator bij Radio 1 en woont in het oosten van het land. Samen met hun vrouwen zorgen de broers voor hun moeder, die in een schemergebied verkeert, ergens tussen leven en dood. Dáárom, zegt hij, praat hij in de verleden tijd over haar.

Zelf praat Hugo over een „blijde jeugd”, hij heeft nooit een klap gehad. Zelfs niet toen hij een keer met een vriend voor driehonderd gulden aan spullen had gestolen bij de V&D, waaronder dure Parker-pennen. „Mijn ouders zeiden dat ze ontzettend teleurgesteld in mij waren. Dat kwam keihard aan en werkte waarschijnlijk beter dan een paar klappen.”

Özcan en zijn broers kregen aan de lopende band klappen van hun vader, vaak met de platte hand, soms met de riem. „Meestal sloeg hij mij op mijn rug, ik ben nooit in mijn gezicht toegetakeld. Het was mishandeling met beleid.”

De klappen waren niet het ergste. „Dat was cultureel bepaald, bij mijn vriendjes ging het net zo.” De geestelijke mishandeling leverde meer trauma’s op. „De hang naar erkenning, gezoend willen worden: alles wat ik ontbeerde heeft mij meer getekend dan dat ik in elkaar werd geslagen.”

Zijn vader noemde hem steevast ‘hoerenkind’. En zijn ouders gingen nooit mee naar het voetbal, hun drie zonen moesten het zelf uitzoeken. Trots waren ze nooit op hun kinderen. „Wij hoorden dagelijks dat onze ouders teleurgesteld in ons waren.”

Hugo: „Dát vond ik vreselijk om te lezen in je boek.”

Op nietsontziende manier beschrijft Özcan hoe het eraan toe ging in huize-Akyol: fysiek en psychisch geweld, emotionele chantage, drankmisbruik en overspel.

Zonder genade schrijven – het is hem gelukt.

Bepalende opvoeding

De opvoeding heeft de mannen tot in hun diepste wezen bepaald. Je ziet het bij hun binnenkomst in het hotel in Noordwijk. Hugo Borst (54) heeft een verende, zelfverzekerde tred en een joviale lach. Hij is in het zwart gekleed, het kettinkje met het gouden kruisje dat hij ooit van zijn moeder kreeg en dat een belangrijke rol speelt in Ma, schittert in het zonlicht. „Doe ik nooit af. Nou ja, alleen bij de douane.” Waar hij niet zo vaak komt, hij houdt niet van reizen. Krijgt-ie heimwee: naar z’n vrouw, z’n zoon, z’n vrienden, z’n stad. Hij bestelt een Spa blauw. „Mijn vrouw waarschuwde: drink niet te veel.”

Özcan Akyol (32) arriveert later („ik stond in de Coldplay-file”). Zomaar ineens staat hij aan tafel. Hij draagt een zwart met grijs T-shirt en bestelt een Jack Daniel’s, met ijs. „Voor mij is het een soort vrije avond, van voetbal, gezin, werk. Dus ik neem het ervan.”

Zijn ogen staan neutraal en zijn opvallend licht. Özcan wacht af. Zeker, hij praat, denkt na, geeft antwoord, maar het eerste uur kijkt hij de kat uit de boom.

„Ik ga in beginsel uit van het slechte in de mens”, zegt Özcan. „Ik heb te veel teleurstellingen meegemaakt in het verleden, ben te vaak gekwetst.”

„Hunker je daarom naar erkenning, om te compenseren wat je nooit van hem hebt gekregen”, vraagt Hugo.

„Je hoeft geen psychiater te zijn om te begrijpen wat ik nu doe. Ik wil alle liefde, alle erkenning, ik wil gezien worden. Ik kreeg net een mailtje van een lezer die zei: ‘Je bent overal; op radio, in kranten, op televisie, social media.’ Natuurlijk is het te veel. Ik heb een ziekelijke geldingsdrang.”

En dan valt het woord: mediahoer.

Özcan hoort het in eerste instantie niet. Maar dan: „Wacht eens even, jij noemt mij een mediahoer?!”

Hugo heft bezwerend zijn hand op. „Dat is ludiek bedoeld.”

„Ja ja ludiek, er zit wel een kern van waarheid in.”

„Zeker, ik bedoel het niet als ultieme diskwalificatie. Ik constateer dat je heel erg gretig en hongerig bent.”

„Jij bent ook een mediahoer”, zegt Özcan.

„Laten we geen competitie hebben over wie de grootste mediahoer is. Dat ben jij.”

„Als ik een mediahoer ben, dan heb jij mij geïnspireerd.”

Hugo, lachend: „Daar kan ik mee leven.”

Ik ben nooit in mijn gezicht toegetakeld. Het was mishandeling met beleid

Özcan Akyol

Dan staat het voorgerecht amper op tafel.

Özcan – Eus – vertelt dat hij in november door Hugo was uitgenodigd om op te treden bij de boekpresentatie van Ma in het Oude Luxor in Rotterdam. „Ik leer van jou hoe je dingen moet verkopen. Er kwamen negenhonderd mensen, die betaalden allemaal een tientje, wat gek is voor een boekpresentatie.”

Hugo: „Maar daar kregen ze exclusief Eus, Wilfried de Jong, Martin van Waardenberg, Michel van Egmond en Nico Dijkshoorn voor. En het was 7,50, met een bonnetje van het AD kreeg je 2,50 korting.”

„Dit zijn commerciële dingen die ik nooit kan bedenken. Nu ga ik bij mijn derde boek de Deventer Schouwburg afhuren, daar kan 670 man in.”

„Je moet ergens beginnen.”

Zo stekelig wordt het later op de avond nog één keer – doorgaans kunnen ze het goed vinden. Gaandeweg legt Özcan zijn twijfels op tafel, en zijn angsten. Dat hij voor optredens in DWDD of Studio Voetbal last heeft van spanning. „Dan lig ik de hele middag met kramp in mijn buik op bed. Altijd is er de faalangst voor een tv-optreden, ook al ging het de vorige zes keer goed. Maar vanavond kan ik het alsnog verneuken, denk ik dan, en bellen ze mij dan nog wel?”

Hugo probeert hem gerust te stellen: „Jongen, waarom die faalangst? Je weet toch dat je goed bent.”

„Juist die faalangst is de drijvende kracht achter alles wat ik doe.”

Gelukkig is Özcan niet – althans, niet altijd. „Ik zit gevangen in mijn eigen faam en levensstijl. Ik zou er wel eens twee weken uit willen, geen columns, niet op tv of radio. Ik kan dat niet, want ik bang ben dat mensen mij vergeten. Ik ben inwisselbaar, dat gevoel. ”

„Maar dan heb je toch geen leven, jongen.”

„Ik heb ook geen leven.”

Hugo steekt Özcan een hart onder de riem. „Joh”, zegt hij, „ze zijn dol op je bij de DWDD”. En: „Je moet die voetballers en trainers bij Studio Voetbal niet zo idealiseren. Jij komt beter uit je woorden dan zij.”

Hugo heeft ook veel „angstjes” – hij spreekt het voorzichtig uit. „Enge ruimtes” mijdt hij liever. „Ik reis niet graag, ik vind het niet prettig om auto te rijden. Bang om dood te gaan ben ik niet, als ik een vliegtuig instap is het meer de claustrofobische gedachte die mij schrik aanjaagt. Tegen Theo Maassen heb ik gezegd dat ik geen 24 uur Met kan doen om die reden: het idee dat ik er niet uit kan.”

Hij slikt seroxat en bezoekt iedere twee maanden de psychiater. „Daar heb ik geleerd mijn tekortkomingen te omarmen.”

Foto's Lars van den Brink

Foto’s Lars van den Brink

Geldingsdrang

Zelf heeft Hugo niet zo’n geldingsdrang – tenminste, niet in de mate van Özcan. „Hij heeft nog die brandende eerzucht, dat heb ik helemaal niet.” Heeft hij wel gehad. Vanaf 2002 werkte Hugo als een dolleman, maar hij deed een stap terug na een botsing met toenmalig bondscoach Bert van Marwijk, eind 2009 bij Studio Voetbal. Volgens Hugo stond de positie van spelverdeler Wesley Sneijder ter discussie, Van Marwijk ontkende – „jij bent heel slecht geïnformeerd”. Borst noemde de bondscoach daarop een „jokkebrok”, Van Marwijk bekende later dat hij Borst bijna een klap had gegeven.

Het was het medium televisie waar hij zich steeds ongemakkelijker bij voelde. „Ik zat zeven uitzendingen goede sportjournalistiek te bedrijven, en dan werd het één keer veel te scherp of ordinair en dat herinneren de mensen zich dan. Dat is ook wat men wil. Ik heb geen zin om daar aan te voldoen. Toen ik na die uitzending met Van Marwijk naar huis reed, voelde ik mij een beetje vies. Ik schaamde me. Ik lijd dan aan zelfhaat.”

Niet dat die zelfhaat erg was („zouden meer mensen in de media last van moeten hebben”), maar het vormde wel de bekende druppel. Hij trok zich vanaf eind 2010 terug uit de media. Acht maanden schreef hij niet, jarenlang meed hij de televisie. Werd-ie heel gelukkig van. „Maar inderdaad: dan ben je zo vergeten.”

Uiteindelijk verscheen hij weer op tv, „omdat er een boek uitkwam”. Zijn televisiewerk houdt hij beperkt – alleen tijdens een EK of WK voetbal zit hij dagelijks in de studio. „Maar dat wilde, woeste – dat heb ik niet meer.”

Özcan heeft last van angststoornissen. Hij houdt bijvoorbeeld niet van veel mensen; op een vol plein wordt hij kortademig, krijgt hij paniekaanvallen. Hij slikt oxazepam om de angst en spanning weg te nemen en combineert die pillen vaak met drank: drie biertjes voor een tv-uitzending, drie whisky’s voor een verjaardagsfeestje. „Dan sleep ik mij er wel doorheen, praat ik ook wat meer.”

Vaak slaapt hij niet meer dan twee, drie uur per nacht. Hij werd gemonitord door specialisten. „Mijn hersenen gaan nooit uit, ik ben constant aan het denken. Dat gaat over de meest banale zaken, ‘shit ik moet morgen nog sap kopen’, denk ik dan.”

Zijn psychiater zegt: soms moet ik mij er bij neerleggen dat ik niet iedereen kan genezen. En zijn huisarts zegt: mensen met jouw stoornis worden voor honderd procent arbeidsongeschikt verklaard. Özcan: „Al mijn werk doe ik op adrenaline en spanning”.

Nature of nurture?

De vraag die de hele avond boven de tafel hangt: is het nature of nurture? De angst om slechte genen te erven, is er altijd. De angst om in rolpatronen te vervallen ook.

Özcan vreest te worden als zijn vader. „Nu ben ik trouw, doe ik alles voor mijn gezin, maar ben ik over twintig jaar nog zo rechtschapen? Ik lijk heel erg op mijn vader. Dit is mijn derde glas whisky, ik kan hierna beter stoppen, terwijl ik zin heb om een fles te drinken. Dat zou mijn vader waarschijnlijk doen. Als ik vroeger een mooie vrouw zag, ging ik proactief aan de slag. Dat doe ik niet meer. Ik zucht nu als ik een mooie vrouw zie lopen.”

Hugo op zijn beurt, vreest Alzheimer te krijgen. Zijn opa van moeders kant had het en zijn oma van vaders kant. Zijn tantes hadden het, zijn moeder heeft het en hij vergeet veel, laat zijn sleutels op de balie liggen, verlaat het hotel zonder z’n vest. Inmiddels heeft een klinisch neuropsycholoog hem na een test verzekerd dat hij zich de komende tien jaar geen zorgen hoeft te maken. „Maar zodra ik de diagnose krijg, knijp ik er binnen een paar dagen tussenuit.”

Hij draait zich om naar Özcan. „Eus, dat geldt ook voor jou. Krijg je ooit die diagnose, dan moet je de hand aan jezelf slaan.”

„Nou, nou, daar ben ik niet alleen in. Ik neem de opvatting van mijn vriendin wel mee in mijn afweging.”

„Dat verbaast me. Heeft ze wel eens in een verpleeghuis gewerkt?”

„Ja.”

Hugo trekt zijn wenkbrauwen op. „Dan verbaast het me des te meer. Ik denk niet dat mijn geliefde mij wil zien lijden of mijn luiertje moet verschonen.”

„Maar dan denk je voor hen. Misschien willen ze wel voor je zorgen.”

„Het zou ook van veel liefde getuigen als je zegt: je leven is hier afgelopen. In de dood zit ook verlossing. Mijn vrouw vindt het een goede afweging. Ik ben nu bezig met een wilsverklaring.”

Mijn moeder is na drie kwartier doodmoe. Dat vind ik geen waardig leven

Hugo Borst

Hugo vertelt dat zijn moeder zestien tot achttien uur per dag slaapt. In de uren dat ze wakker is, is ze ontheemd en verward. Op een goede dag heeft hij lol met haar. „Dan kan ik knuffelen en grapjes maken. Maar dan is ze na drie kwartier doodmoe en leg ik haar op bed, dan gaat ze in de foetushouding liggen en slaapt ze na drie seconden. Dat vind ik geen waardig leven, dat is armoedig.”

Zijn moeder draagt, net als de andere bewoners van het verpleeghuis, een vijf kilo zware luier. „Die zijn daarvoor gemaakt, dan hoef je ze namelijk niet zo vaak te verschonen.” Een enkele keer is ze gelukkig.

De pleegzorg in Nederland noemt hij „schandalig, zo niet mensonterend”. Het ligt, haast Hugo zich te zeggen, niet aan de verpleegsters: die zijn fantastisch. „Maar ze zijn boekhouders geworden. Ze moeten alles registeren. Ze zien over hun computer heen dat iemand hulp nodig heeft, maar ze kunnen die niet bieden met te weinig personeel.”

Inmiddels is hij in gesprek met een aantal betrokkenen en deskundigen om te kijken hoe het anders kan. Of, in zijn woorden: „Weg met de registraties, op naar de kleinschaligheid en het hele middenmanagement moet opzouten of omscholen.” In september, tegen Prinsjesdag, spijkert hij een pamflet op een deur.

Van Hugo mag het leven van zijn moeder morgen afgelopen zijn. Zou een zegen zijn. En het leven van Özcans vader? Als dat morgen afgelopen zou zijn? „Zou een enorme opluchting zijn.” Voor hem, voor Eus dan hè. Hij zou wel naar de begrafenis gaan, in Turkije, om zijn moeder bij te staan. Maar verdriet zou hij niet hebben.

En zijn moeder? „Zij verzucht iedere dag dat ze een kansloos leven heeft en dat ze hoopt dat ze snel dood gaat. En dat ze nooit aan kinderen had moeten beginnen. Ik heb mijn moeder nooit gelukkig gezien.”

Rancune

Eén keer wordt het nog ongemakkelijk tussen de twee. Özcan vertelt bij het hoofdgerecht over zijn eerste kennismaking met Hugo, drie jaar geleden. Özcan was op dat moment aan het daten met zijn huidige vriendin, journaliste bij de Volkskrant. Hugo kreeg een conflict met haar over een interview. Özcan: „Eén woord had ze verkeerd geschreven.”

„Ik had het over archaïsch, zij schreef agrarisch.”

„Het artikel stond een uur online, toen is de fout aangepast, het heeft niet in de krant gestaan. Hugo stuurde gemene sms’jes. Zij wilde hem bellen om excuses te maken. Maar Hugo nam zijn telefoon niet op. Typisch voor zijn rancuneusheid.”

In diezelfde tijd was Özcan in gesprek met Hard Gras-hoofdredacteur Henk Spaan om te gaan schrijven voor het literaire voetbaltijdschrift. Hugo is ook hoofdredacteur. Özcan: „Ik zat in een lastige situatie: moet ik tegen Hugo zeggen, kneus wat denk je wel niet? Ik wist niet of ik in dat stadium al ruzie kon maken met de hoofdredacteur.”

„Dat vind ik zo berekenend van je.”

Maar Özcan is nog niet klaar. „Toen kwam er een vage column in het AD, waarin hij over ‘dat meisje’ schreef, ‘het kind’ heeft ook nog gestudeerd. Ik kreeg daardoor een raar beeld van hem.”

„Mea culpa. Kom ik er zo mee weg? Ik heb gewoon een heel vervelend kantje. Ik blijf soms hangen in boosheid.”

De volgende ochtend, bij het ontbijt. Özcan heeft ruim drie uur geslapen. We praten verder over het karakter van Hugo. „Ik vind je best een lieve man”, zegt Özcan.

Hugo: „Ik kan destructief zijn, maar in de kern ben ik behoorlijk harmonieus.”

Als zijn gesprekspartner even van tafel is zegt Hugo dat je bij Özcan voortdurend op je hoede moet zijn. „Hij is altijd aan het wegen.” Ze whatsappen regelmatig over voetbal, over Sparta en Go Ahead Eagles. Verder zal hun band waarschijnlijk niet gaan. Özcan: „Onze karakters zijn te intens voor een vriendschap.” Hugo knikt.

Foto Lars van den Brink

Foto Lars van den Brink