‘Ik was ooit een kleine Jezus’

Maxim Hartman

(52) beledigt en brult. ‘Agressie is er om mensen te corrigeren, humor om te relativeren. Ik raak mijn emoties ermee kwijt.’

Geloof het of niet, maar Maxim Hartman (52) is een zorgzaam type. Komt aanrennen met ijsblokjes als ik kokende thee omkieper. Neemt met een schoon vaatdoekje de terrastafel af. We zitten bij bar Bukowski in Amsterdam-Oost. Hij woont er vlakbij. Hij is zijn huis aan het opruimen, vertelt hij. En toen kwam hij dozen vol foto’s tegen. Nou heeft hij een hekel aan die „sentimentele onzin”, maar hij heeft toch een paar foto’s op zijn telefoon gezet. Hij laat ze zien. Maxim als melkmuil van 16. Zijn ex-vrouw met hun zoontjes – inmiddels 26 en 28. Zijn moeder – een half Spaans meisje van 19 uit Rotterdam – en zijn vader, die hij nooit gekend heeft. „Hij was wel heel knap.” Na Maxims geboorte ging hij op de grote vaart en kwam niet meer terug.

Baby Maxim werd opgevoed door zijn oma en de jongere zusjes van zijn moeder, die achter de bar van een nachtclub werkte. „Toen ik vijf was, beschikte ik over tenminste twee tantes die mijn veters strikten.”

Nou kent u Maxim Hartman misschien van zijn nogal lawaaiige VPRO-kinderprogramma’s (Rembo en Rembo) uit de jaren negentig. Van de eigen omroep die hij begon in 2011, Omroep Maxim. Van zijn programma Nog meer voor mannen bij RTL7 waarin hij het luidruchtig opneemt voor de onderdrukte man. U ziet hem als nogal grove interviewer in Eredivisie op Vrijdag bij Studio Sport, waarin hij trainers en voetballers (ook) vraagt waarom ze zo’n idiote naam, dikke buik of jolige uitstraling hebben. U las misschien De nationale vrouwenspotgids, het boekje waarin hij 76 vrouwtypes onderscheidt (het wentelteefje, het kibbelvrouwtje, de zeurscheur). Maar misschien wilt u hem helemaal niet kennen. Met zijn grote bek, zijn seksistische praat, zijn haantjesgedrag. Lees dan toch even door. Want mij viel hij alleszins mee.

Grensoverschrijdend, provocatief en ontregelend, dat is hij ook. Als hij constateert dat het terrastafeltje vies is, beent hij naar binnen om de bediening „eens even flink te corrigeren”. Tegen de jonge serveerster klaagt hij dat hij scheel wordt van haar streepjesshirt, en dat ze loenst bovendien. Tegen de buurman die net uit bed is, roept hij dat hij met z’n slaperige kop een schande is voor alle mannen. Als de ambulance langs raast, brult hij boven de sirenes uit dat er echt wel wat harder gereden kan worden. Hij kiest het duurste op de menukaart, om mij „op kosten te jagen”. Constateert dat ik, in tegenstelling tot hemzelf, spontaan noch creatief ben en kondigt aan dat dit dus wel eens een moeizame middag kan worden.

De serveerster negeert vrolijk zijn sneren, de buurman grinnikt, ik blijf zitten.

Meent hij alles wat hij zegt, of is hij een pathologische grappenmaker? „Er wordt vaak gedacht dat ik mensen afzeik, maar dat is niet zo. Ik heb liever dat ze wat terugzeggen. Dan wordt het pas leuk.” Hij is, zegt hij, heel gevoelig voor andermans gemoedstoestand. „Ik merk het als iemand zich niet prettig voelt. Dan weet ik dat ik even moet dimmen.” Die gevoeligheid weet hij dan op televisie goed te verbergen. „Soms ga ik er te hard in, dat weet ik ook wel. Dan slaat iemand dicht. Ik probeer ook wel iets minder grof te zijn.”

Politieagentje spelen

Het was even wennen toen hij in Amsterdam kwam wonen. „Ik dacht dat ik bijdehand was... Maar die Amsterdammers, die hadden pas een grote bek. Zei ik wat, kreeg ik het dubbel zo hard om m’n oren. Ik meteen van: ‘hè, hè, gast, had je wat?’. Stond ik al klaar met mijn vuisten. Vergeleken met hen leek ik conservatief. Ik was de hele dag politieagentje aan het spelen, links en rechts mensen corrigeren, taxichauffeurs aanspreken op hun aso-gedrag. Zeker twee keer in de week had ik ruzie op straat.” Hij onderbreekt zichzelf. „Nou gaat het daar weer over... over die agressie van mij.” Hij herneemt: „Ja, ik heb een kort lontje. Maar zullen we het daar niet over hebben? Alsjeblieft?”

Voor Amsterdam woonde hij in Bussum, en daarvoor in Rotterdam, waar hij ook naar de kunstacademie ging. „Leuk hoor Rotterdam, met die mentaliteit van niet lullen maar poetsen. Maar daaronder zit een vreemd soort minderwaardigheidscomplex. Dat negatieve, dat drukte me neer. En die drukte, daar kon ik ook niet goed tegen. In een rustige omgeving word ik creatiever. Ik wilde mijn kinderen die stad niet aandoen.” Hij werd op z’n 22ste vader. De moeder zat bij hem op de kunstacademie en wilde eigenlijk bom-moeder worden (wel een kind, geen man). Maar hij werd verliefd op haar toen ze zwanger was en samen verhuisden ze naar Bussum. Voor- en achtertuin, hond, drie verdiepingen. Na de scheiding – zoons Mick en Ram waren 5 en 6 – verhuisde hij naar een huis voor hem alleen vijf minuten verderop. „Ik nam allerlei taken op me zodat ik ze zo vaak mogelijk zag. Mijn ex hield niet van koken, ik wel, dus ging ik dat bij haar thuis doen. Ik deed alle sportdingen met ze. Sopte mijn huis als die jochies kwamen. Heel verantwoordelijk. Ik werd een betere man en vader dan toen we nog samen waren.”

Een moeder loopt voorbij met een slapende baby in een kinderwagen. Een vader duwt een roodharig peutertje voort in een buggy, een blond meisje op een step ernaast. Maxim Hartman smelt. „Aaah.. Kijk nou... Zo schattig.” En tegen mij: „Zo moe hè, zijn die jonge ouders. Niks is meer leuk, ze hebben nul seks...” Herkenbaar? „Allebei mijn zoons werden veel te vroeg geboren. Ik was net begonnen met filmpjes maken voor de televisie. Ik ben nogal een control freak, en dan zo’n couveusebaby. Dat vond ik wel stress, ja.”

Hij was een strikte vader, zegt hij. Regels, grenzen, eisen stellen. „Komt omdat ik zelf niet ben opgevoed. Al die vrouwen om me heen behandelden me als een kleine Jezus. Alleen de nieuwe vriend van mijn moeder, nogal een criminele gast, zei op een dag tegen me dat ik een slappe zak was. Dat had nog nooit iemand gezegd.” Dus ging hij op zijn elfde op boksen. Om sterk te worden. Nu bokst hij af en toe nog in de sportschool. „Even al mijn overtollige energie eruit.” Niet voor een mooier lichaam? „Mwa. Het lijkt me wel lachen om op mijn 55ste op de cover van mannenblad FHM te staan.”

Ik neem het op voor de man

Klinkt misschien gek om het zelf te zeggen, zegt hij, maar hij is een mannenheld. „Laatst liep ik over straat... Staat er zo’n groepje mannen... Zo heel intimiderend. Van die hiphoppers. Ik denk: ik stap de stoep niet af voor die gasten, ik loop er dwars doorheen. Tikken ze me op de schouder... Zeggen ze: ‘Jij bent van tv!’ Duimen omhoog, zij met me op de foto. En even later, in de kroeg, met van die yuppen en advocaten, gebeurt me hetzelfde. Oud, arm, Chinees of mank, mannen zijn blij dat ik het opneem voor de man en zijn mannelijkheid.” Dat zoeken van hem naar wat manzijn betekent, is iets persoonlijks. „Ik had geen vader, dus ik heb zelf moeten uitzoeken wat mannelijkheid is.” Maar hij heeft gemerkt dat het ook een maatschappelijke kwestie is: „Vrouwen zijn te dominant geworden. Dat is niet erg, ik ben voor feminisme, maar de man is geëvolueerd tot een watje.” Dat zijn eigen zoons allebei in het buitenland wonen (een in Portugal, een in China) is vast niet toevallig, zegt hij. „Het lijkt wel alsof ze gevlucht zijn voor mijn ‘bekende-man-zijn’.”

Hij bestelt thee zonder theïne. Anders kan hij vannacht niet slapen. Dat klinkt niet zo mannelijk, zeg ik. „Wat een onzin,” zegt hij. „Alsof je mannelijkheid wordt bepaald door wat je drinkt. Ik drink ook witte wijn. Van veel bier krijg ik erectieproblemen. Zouden meer mannen rekening mee moeten houden.” Mannelijkheid is niet: bier drinken, barbecuen en hout hakken. „De onderdrukte man valt terug op stereotypen, precies zoals moslims die zich bedreigd voelen, teruggrijpen op ouderwetse waarden. Mannelijkheid is complexer dan dat.”

Wat maakt een man tot man? „Weet ik ook niet zo goed.” Onafhankelijkheid, autonomie? Hij hoeft bijvoorbeeld voor het geld niet meer te werken. „Hoe fijn is dat?” De vraag is meer: hoe kán dat? „Ik kan goed sparen. Op mijn twintigste had ik al 10.000 gulden apart gezet. Mijn moeder smeet met geld. Daar had ik zo’n aversie tegen, ik heb altijd een buffer willen hebben.” Nu heeft hij twee huizen, een derde heeft hij net verkocht. „Van dure auto’s en horloges hou ik niet. Wat heeft een man nou helemaal nodig? Eten, wat kleren. Aan 1.500 euro in de maand heb ik genoeg? Met minder lukt het ook.”

Wat is nog meer mannelijk? Vechten? Assertief zijn? Voor jezelf opkomen? „Ik voel me heel sterk als ik kan denken: ‘Ik ben niet bang voor pijn, val je me lastig, dan pak ik je, ook al ben je met z’n drieën.’”

Toch weer die agressie dus? „Ja, én humor. Agressie is er om mensen te corrigeren, humor om te relativeren.” Humor en agressie halen bij hem de druk van de ketel. „Ik raak mijn emoties ermee kwijt. Daarom ben ik zelden ziek of depressief.” Hij heeft zich weleens een week proberen te beheersen. „Na een week liepen de tranen over mijn wangen. Als woede niet naar buiten kan, gaat-ie naar binnen. Ik voelde allemaal celletjes in mijn lichaam knappen.”

Tegenwoordig probeert hij problemen éérst met humor op te lossen. „Maar ja, als die gasten op internet dan op me los gaan. Van kankerlijer zus, met je kankerkop zo, dat is zo respectloos, daar moet ik wat van zeggen.” Dus nodigde hij iedereen die hem virtueel uitschold uit om op een parkeerterrein alles nog een keer in zijn gezicht te zeggen. „Niemand kwam opdagen.”