Een beetje hulp, tot het te laat is

Jeugdzorg

Veel kinderen krijgen te laat de zorg die ze nodig hebben. Nu gemeenten die kinderen onder hun hoede hebben, is kennis verdwenen.

Het aantal aanvragen voor acute specialistische jeugdhulp groeit. Terwijl dat eigenlijk had moeten dalen. Foto iStock

Drie maanden lang woont een jongen, twaalf jaar oud, in een psychiatrische instelling. Hij komt eruit in maart 2015 en de psychiater zegt: deze jongen heeft meer specialistische hulp nodig. Hij lijdt niet alleen aan autisme, maar heeft ook een hechtingsstoornis, is agressief, vertoont dwangmatig gedrag.

Maar wat gebeurt er? De jongen gaat naar huis en krijgt lichte hulp van een niet-specialistische instelling. Maanden verstrijken. De ouders van de jongen doen een beroep op het wijkteam van de gemeente. Er verstrijkt meer tijd. De ouders verliezen hun grip op de jongen, hij zit alleen op zijn kamer. Drinkt energiedrankjes, blijft weken weg van school, neemt zijn medicatie niet.

Dan seint het wijkteam een specialistische instelling in, Pluryn, die hulp biedt aan jongeren met complexe gedragsproblemen. Het is dan april 2016, dertien maanden na het advies van de psychiater. De situatie thuis is onhoudbaar geworden. Pluryn ziet geen andere oplossing dan onmiddellijke plaatsing in haar crisisopvang.

„Zo gaat het gros van de aanmeldingen nu”, zeggen vier medewerkers van Pluryn in koor op hun hoofdkantoor in Nijmegen. De vier vormen de toegangspoort tot het jeugdwerk van Pluryn. Ze nemen alle binnenkomende zorgaanvragen in behandeling. Schuif bij hen aan en je hoort dit: „Ik krijg veel aanmeldingen die te laat zijn.” „We krijgen wanhopige, huilende ouders aan de lijn.” „Een meisje had spoedig zorg nodig. Ze kreeg het pas zes weken later.” „Het is na 2015 geen seconde rustig geweest. We hadden het tegenovergestelde verwacht.”

Terug naar 2015. Alle jeugdzorg werd een verantwoordelijkheid van gemeenten. Een enorme omwenteling: weg van de specialistische hulp. Thuis, dat is waar kinderen hoorden, niet in een dure instelling in de bossen. Preventie en snelle lichte hulp werden het devies. Wijkteams moesten die bieden, met maatschappelijk werkers, schuldhulpverleners, verpleegkundigen, jeugdzorgprofessionals. De ogen en oren van elke wijk. In nauw overleg met school, huisarts, sportclub zouden zij problemen in de kiem smoren. Een specialistische instelling zou vaak onnodig zijn.

De praktijk is anders, zeggen die instellingen. Zij ervaren juist méér druk: meer acute aanvragen, waarbij zij een kind snel uit huis moeten halen om ongelukken te voorkomen. Yulius, die psychiatrische hulp biedt aan kinderen in Zuid-Holland, spreekt over een toename van dit soort spoedgevallen van 10 procent in de eerste helft van 2016. Bij de Heldringstichting, die hulp biedt bij gedragsstoornissen, is 71 procent van de aanvragen acuut. Dat was in 2014 nog 56 procent, zegt directeur Marion van Binsbergen. En Marlies Michels, directeur instroom bij de specialistische instelling Horizon Jeugdzorg en Onderwijs, zegt zich nu te moeten bezighouden met de snelle plaatsing van „heftige, individuele gevallen”, terwijl dat voorheen nooit hoefde.

De belangrijkste reden, zeggen deze mensen: dralende wijkteams. De teams proberen te lang de kinderen met lichte hulp op de been te houden. Maar dat volstaat vaak niet, zegt Michels. „Als je heftige oogklachten hebt, volstaan zalfjes en pleisters bij de eerste hulp toch ook niet? Dan moet je gewoon zo snel mogelijk naar het ziekenhuis.” Volgens Van Binsbergen, Michels en de medewerkers van Pluryn missen de wijkteams deskundigheid.

Voor de kinderen is dit slecht nieuws. Hun situatie verslechtert door het uitblijven van de juiste hulp. Het is aan de orde van de dag: kinderen die weglopen van huis, die in aanraking komen met loverboys, met drugs, met justitie. Ze terroriseren hun gezin, beschadigen zichzelf. Laatst nog, zegt Van Binsbergen: „Een jongen met autisme en pedoseksuele neigingen. Komt uit een gezin dat zich niet kon vóórstellen dat zoiets zou spelen. Het gezin was in beeld bij een wijkteam. Maar de deskundigheid miste.” Te laat kwam de jongen in beeld bij specialisten, zegt ze. Een plaatsing in gesloten jeugdzorg werd nodig. Kamerdeur op slot, hekken om het terrein. „Waren we er eerder bij geweest, dan hadden we dat kunnen voorkomen.”

Zijn die wijkteams dan zo’n slecht idee? Nee, benadrukken sommige directeuren. „Die teams halen ook meer problemen boven tafel die vroeger onontdekt bleven”, zegt Arno Lelieveld, directeur van de organisatie voor jeugd- en opvoedhulp TriviumLindenhof. Er zijn bovendien wijkteams die prima werk leveren, zegt Van Binsbergen. Maar „vooral in dorpen en in kleine steden blijft het niveau achter. In zo’n wijkteam zit soms niemand met het benodigde verstand van zaken.”

Optimisten zien deze problemen als tijdelijk. Wijkteams zijn weliswaar „zoekende”, zeggen zij, maar ze zullen hun draai ongetwijfeld vinden. Maar luister je naar de klachten uit de sector, dan lijken sommige structureel. Veelgehoord: de scheiding in 2015 van de twee belangrijkste delen van de jeugdzorg. De lichte, vrijwillige opvoedhulp en de zwaardere, verplichte zorg. Voorheen zaten die samen in één gebouw, bij het dozijn bureaus jeugdzorg. Maar die bureaus zijn ontmanteld. Gevolg: overdrachtsproblemen. „Vroeger liep een medewerker de trap op, om een casus te bespreken met een collega die de zwaardere hulp deed. Zo nodig kon je een zaak snel opschalen”, zegt Marlies Michels.

De samenwerking verloopt stroef. Wijkteams sluizen dossiers om privacyredenen niet door naar de instelling. Of ze verzoeken ouders om zélf de specialistische instelling te benaderen. Waarna de ouders zich suf gaan googelen, zeggen medewerkers van Pluryn. „De jeugdzorg is complex. Niet alleen voor minder begaafde ouders. We krijgen ook hoogopgeleide ouders aan de lijn die vier instellingen hebben gebeld voordat ze bij ons belanden.”