Al het iets is bijna niets

Niets

Het heelal is verbluffend leeg net als de kleinste deeltjes. Het bijna-niets is overal. Maar bestaat het echte niets?

Dit stuk gaat over niets. Dat wil niet zeggen dat het nergens over gaat. Al gaat ‘niets’ ons verstand natuurlijk te boven. Zeker, een film of jurk kan helemaal niets zijn. Soms willen mensen ergens niets mee te maken hebben. Vinden ze ergens niks van deugen. Of zeggen ze dat er niets aan de hand is – en meestal is er dan juist iets.

Hoe dan ook, steeds is dan ‘niets’ het ontbreken van iets. Zoals in het ‘alles of niets’ in een casino. Loopt dat op niets uit, dan sta je met lege handen.

Maar je iets voorstellen bij ‘niets’, alleen maar ‘niets’? ‘Alles is iets’, schreef Victor Hugo (in Les Misérables). ‘Niets is niets.’ Dat klinkt heel waar. Zelfs als je in gedachten alle voorwerpen één voor één uit de kosmos zou verwijderen, dan nog is ‘niets’ een voorstelling in je hoofd.

Een collega vertelde dat hij als kind ’s avonds in het donker soms probeerde zich zo’n voorstelling te maken. Hij dacht dan aan een voetbalstadion. Zoals De Kuip in Rotterdam. Stapte hij er naar binnen, dan was er geen kip, geen mens, geen gras, geen tribune en geen bal. Het was er inktzwart, muisstil en doodeng. Zijn ‘niets’ was een zwart gat om in te verdwijnen.

Zelf zocht ik het ‘niets’ juist ver weg. In een oneindig heelal zou je een enorme schoenendoos om alle sterren kunnen zetten. Daaromheen zou een nog grotere schoenendoos passen, daaromheen een nóg grotere en wie weet nog een paar... Hoofdzaak was dat de ‘laatste schoenendoos’ geen wanden had. Die zouden het heelal begrenzen. En als het heelal oneindig was, zou er op het laatst ‘niets’ moeten zijn.

Warme melk moest de gordijnen, lakens en het huis daarna weer vanzelfsprekend maken. Dat komt ervan als je aan niets denkt. Woede is gericht op iets of iemand, vrolijkheid gaat over iets of iemand, maar echte angst draait om het niets, zei de filosoof Kierkegaard daarover.

‘Bijna niets’ vind je juist bijna overal. Voorbij ons zonnestelsel bevat de uitgestrekte ‘lege’ ruimte tussen de sterren gemiddeld bijvoorbeeld maar één molecuul per kubieke centimeter. Onvoorstelbaar weinig: op aarde zitten er in een kubieke centimeter water ruim dertigduizend keer miljard keer miljard (1022).

‘Dragersdeeltjes’

Ook de atomen in die moleculen zijn haast eindeloos leeg. Tussen minuscule atoomkernen en de nog minusculere elektronen die daar omheen bewegen, zit (relatief) een gigantische afstand. Een waterstofatoom bestaat daardoor voor 99,9999999999996 procent uit lege ruimte. Stoelen, tafels, borden, jurken en mensen – al het ‘iets’ bestaat zo voor het leeuwendeel uit niets.

Niet helemaal natuurlijk, want een krachtenspel houdt de bouwsteentjes van atomen bij elkaar. Om elkaar dansend gooien ze elkaar voortdurend ‘dragerdeeltjes’ toe. Je kunt ook zeggen: ze dansen in velden – in lokale sterke, zwakke en elektromagnetische velden, in het Higgsveld dat de kosmos doortrekt...

Zo gonst en wervelt het in de ‘lege’ ruimte; er is textuur. Volgens de regels van de quantummechanica ontstaan en vergaan er bovendien voortdurend spontaan deeltjesparen. Volgens het wetenschappelijke scheppingsverhaal heeft zo’n ‘quantumfluctuatie’ zelfs ooit in een ‘Oerknal’ het hele heelal – ruimte, tijd, energie en materie – voortgebracht uit het niets.

Zo, met dat quantumbubbeltje, geven fysici en kosmologen trouwens geen antwoord op de vraag waarom er iets is, en niet niets – ‘de duisterste van alle vragen in de filosofie’, aldus filosoof William James. En een vraag die volgens veel filosofen ook helemaal niet te beantwoorden valt.

Minder duister, maar toch ook moeilijk voorstelbaar is dat in dat Oerknalverhaal tijd en ruimte ook ontstonden. Het is makkelijker om tijd en ruimte voor te stellen als een decor waarin dan iets, de kosmos, is verschenen. Dat was ook de voorstelling die bijvoorbeeld Newton zich maakte.

In het oerknalverhaal zijn tijd en ruimte meer zoals Einstein en bijvoorbeeld de wiskundige Leibniz zich die voorstelden: als abstracties van de relatie tussen de objecten. Want: wat heeft ruimte voor betekenis als er geen objecten zijn? Ruimte bevindt zich altijd tussen objecten. En tijd meet de veranderingen in de ruimte.

Sterker, tijd kan vertragen en ruimte kan krommen of uitdijen. De vragen: Waarin dan? Hoezo krom? zijn niet te beantwoorden. Of misschien met: ‘ergens in...’, en dat blijft gek.

Misschien is ‘niets’ het beste subjectief voor te stellen. Als: er ‘niet zijn’. Zoals kinderen doen als ze denken aan doodgaan. Ruim honderd jaar geleden beschreef de Russische wiskundige Tatiana Afanassjewa die ooit in Leiden woonde een gesprekje daarover met haar nogal abstract denkende vijfjarige dochter Tanitsjka:

„Er zijn mensen die geloven dat ze later [na hun dood] zullen opstaan. Geloof jij dat?”, vroeg het meisje.

„Ik weet het niet, maar ik zou wel willen dat het zo was”, zei de moeder.

Het meisje schudde haar hoofd: „Ik geloof het niet en dat als je dood bent, je geen pijn meer hebt, is toch goed?”

De moeder: „Ja, natuurlijk. Maar aan de andere kant heb je dan ook geen plezier meer.”

Het meisje: ‘Maar dat hoef ik ook helemaal niet, want ik zal niks meer voelen, zelfs het woord ‘voelen’ zal ik niet meer weten!’ En nee, ook frambozen eten zou ze niet missen, zei ze later nog eens stellig: ‘Natuurlijk niet, want dan ben ik er niet meer.’

Verschijnen is zijn

Je zou kunnen zeggen: een niets dat je niet ervaart, is er niet. Je was er toch ook niet voor je geboren werd? Miste je toen iets? Nou dan.

Misschien, maar het is ook niet helemaal waar. Want als je doodgaat, ben je er wel geweest. Het ‘tweede niets’ is een ontbreken van iets. Een lege-handen-niets voor anderen.

Misschien maakt ‘ontbreken’ ook het beeld van een stadion vol zwarte leegte – niets na iets dus – wel zo duister. Duisterder dan dat van een niets dat je niet ervaart. Zo’n stadion instappen is als er nog wel en al niet meer zijn tegelijk: er is daar niemand meer om frambozen mee te eten.

„In deze wereld, waarin we verschijnen uit het niets, en waaruit we verdwijnen in het niets, vallen verschijnen en zijn samen”, schreef filosoof Hannah Arendt. En verschijnen doe je altijd aan iemand anders, redeneerde zij verder. „Meervoud is de wet van de aarde”.

Meervoud sluit niets uit.