Absint

Van De Vos (11)

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

De Vos ligt nog altijd in de armen van De Leeuw. Zijn tranen blijven stromen. Het is voor het eerst sinds de scheiding dat hij huilt. Zijn hele lijf schokt. De ogen van De Leeuw worden nu ook vochtig. Ook hij heeft een vreselijke tijd achter de rug. De spanningen nemen toe, zijn adviseurs laten hem in de steek. Hij staat er alleen voor, helemaal alleen.

Wanneer hij weer wat bedaard is, vraagt De Leeuw of De Vos wierook wil branden, voor de juiste sfeer – heeft hij sandalwood? De Vos vraagt voorzichtig of De Leeuw soms ook mediteert. Die knikt. „Maar dat mag niemand weten.” De Leeuw mediteert, wie had dat ooit gedacht. Samen praten ze hartstochtelijk over de stilte van het licht, over de hunkering naar het niet-bestaan.

„Dit moeten we vieren!”, roept De Vos even later. Hij heeft nog een fles absint in de kast staan. In een romantische bui heeft hij die gekocht, toen hij met het idee rondliep om zijn memoires te schrijven. De fles is nog onaangebroken. „Eentje dan”, zegt De Leeuw, „en daarna ga je met me mee.” De Vos knikt.

De Wolf kijkt verwonderd op wanneer hij het tweetal naar buiten ziet komen. Ze houden elkaar vast en wiegen heen en weer. Dan realiseert hij zich dat ze dronken zijn. Snel loopt hij naar hen toe.

„De Wolf, ouwe vriend”, lalt De Vos. „Ouwe, trouwe vriend.” De Leeuw begint te lachen. „Hebben jullie gedronken?", vraagt De Wolf. „Een beetje”, lispelt De Leeuw, „een ietsepietsie.” De Vos laat De Leeuw los en wil De Wolf knuffelen. Die stapt naar achteren en De Vos valt voorover, zijn hoofd klapt op de stenen. De Wolf buigt geschrokken voorover, maar De Vos begint te giechelen. „Wolf, Wolfje, weet je nog toen, toen, je weet wel...”

De Leeuw begint iets onverstaanbaars te zingen. De Wolf kijkt om zich heen. Wat moet hij doen? Eerst uit het zicht, denkt hij, niemand mag De Leeuw zo zien. Hij tilt De Vos op, ondersteunt hem en loopt voorzichtig naar het parkje om de hoek. De Leeuw slentert achter hen aan. „Een ietsepietsie”, zegt De Leeuw, „meer niet, meer niet. Zeg tegen De Das dat we eraan komen.”

Wanneer hij de twee op een bankje heeft gezet, belt De Wolf met De Das. Hij gaat iets verderop staan, zodat ze hem niet kunnen horen. Zijn gezicht staat zorgelijk.

De Leeuw stoot De Vos aan en wijst naar de struiken. „Zie je ze? Zie je de rode ogen?” De Vos wrijft in zijn ogen, maar hij ziet niets. „Het zijn de vreemde invloeden. Ze houden ons in de gaten”, fluistert De Leeuw. „We moeten zachtjes praten, ze mogen ons niet horen.”

De Wolf is druk in gesprek. Zenuwachtig loopt hij heen en weer.

De Leeuw staat op en loopt naar een van de struiken. Met zijn hand woelt hij door het loof. „Waar zijn jullie?”, vraagt hij zingend. Hij verliest zijn evenwicht en valt voorover. De Vos waggelt naar hem toe. „De Leeuw, we gaan samen op zoek naar de stilte van het licht.” Ook hij verliest nu zijn evenwicht en duikelt in de struik.

Wordt vervolgd