Terroristen zijn niet gek. Maar wat dan wel?

Het is verleidelijk te denken dat meeste aanslagplegers psychisch gestoord moeten zijn. Maar daarvoor is geen bewijs. Wel hebben de meesten een persoonlijk motief.

Soldaten van het Franse Vreemdelingenlegioen patrouilleren op de Promenade des Anglais. Foto Eric Gaillard/Reuters

Als we zijn buren en de Franse politie mogen geloven was Mohamed Lahouaiej Bouhlel, de Tunesiër die vorige week op de boulevard van Nice inreed op een feestvierende menigte en 84 mensen doodde, een sociopaat. Hij had er kennelijk moeite mee zich aan te passen aan de ethische en sociale gedragsnormen van zijn omgeving. Bouhlel zou niet hebben gecommuniceerd met zijn buren, zijn vrouw hebben geslagen en enkele malen zijn veroordeeld voor geweldsdelicten.

Omar Mateen, de migrantenzoon die in Orlando, Florida, 49 mensen doodschoot in een nachtclub, kwam volgens politiebronnen uit een ‘disfunctioneel gezin’: zijn vader sloeg zijn moeder en is daarvoor ooit opgepakt. Mateen gold bij docenten als ‘gestoord’. Hij had driftaanvallen en zijn eerste vrouw liet zich van hem scheiden wegens huiselijk geweld. Hij richtte zijn automatische wapen op homo’s en lesbiennes, maar kwam vaak in homobars en was in de war over zijn eigen seksualiteit.

Om kopieergedrag te voorkomen moeten media moeten geen grote portretten van daders maken, zegt psychiater Park Dietz.: Lees ‘Maak de dader niet te belangrijk’

Hoewel Bouhlel en Mateen pas tot hun extreme gewelddaad kwamen nadat ze online kennis hadden gemaakt met het gedachtegoed van Islamitische Staat, rees naar aanleiding van hun summiere profielschetsen in de media een andere vraag dan de gebruikelijke. Die betrof ditmaal niet de religieuze overtuiging van de geweldplegers, maar hun geestelijke gezondheid. Populair gezegd: moet je, om over te gaan tot terreurdaden, die bijna altijd leiden tot de dood van de dader, psychisch in de war zijn?

Het individuele niveau

Edwin Bakker (Instituut Clingendael) en Jeanine de Roy van Zuijdewijn (Universiteit Leiden) schreven samen het in mei verschenen boekje Terrorisme, een

handzame inleiding tot het onderwerp. Onder het kopje ‘verklaringen op het individuele niveau’ constateren ze dat „steeds vaker geluiden [klinken] dat jongeren die naar Syrië trekken om zich daar aan te sluiten bij IS, in veel gevallen een bepaalde psychologische problematiek hebben”. Maar uit onderzoek naar terroristische eenlingen zou zijn gebleken dat „de prevalentie van mentale problemen niet significant hoger is dan onder de algemene bevolking.” De auteurs concluderen: „Er is geen bewijs dat de meeste terroristen ‘gek’ zijn.”

Hoe kwam failed bomber tot daad?

De Amerikaanse psycholoog Ari Kruglanski, verbonden aan de universiteit van Maryland, doet onderzoek naar zelfmoordterroristen en hun motieven. Samen met collega’s uit een internationaal netwerk bestudeert hij de radicalisering én rehabilitatie van zogenoemde failed bombers, terroristen wier zelfmoordaanslag is mislukt en die gevangen zitten.

Baader-Meinhofgroep

Dat zelfmoordterrorisme in het alledaagse spraakgebruik vaak wordt afgeschilderd als ‘waanzin’ is niet terecht, zegt Kruglanski via de telefoon. „De opvatting dat terroristen in het algemeen en zelfmoordterroristen in het bijzonder pathologische gevallen zijn, was de eerste reactie van sociale
wetenschappers in de jaren zeventig en tachtig, toen uiteenlopende stedelijke terreurgroepen opdoken, zoals de Baader-Meinhofgroep in Duitsland en de Brigate Rosse in Italië. Die mogelijkheid is onderzocht, maar dat onderzoek leverde negatieve resultaten op. Er is tegenwoordig consensus in het vakgebied dat terrorisme niet kan worden verklaard als psychopathologie. Waanzin is niet de reden dat mensen een, bijvoorbeeld, jihadistische ideologie omhelzen.”

Gevraagd naar wat hen daar wél toe drijft, zegt Kruglanski: „In de psychologie weten we dat het aannemen van een geloofssysteem een motiverende grondslag heeft. Geloofssystemen slaan niet uitsluitend aan door bewijzen, door informatie; er is altijd een persoonlijk motief. We hebben het brede scala van motieven dat in de meest recente literatuur wordt genoemd – wraak, geld, religie, trauma, enzovoort – geclassificeerd in drie categorieën: persoonlijke omstandigheden, ideologie en sociale druk. Vervolgens hebben wij deze drie geïntegreerd in één overheersend motief dat we quest for personal significance noemen – het verlangen als persoon iets te betekenen.

De psycholoog licht dit toe: „Als er sprake is van een verlies aan persoonlijke betekenis als gevolg van vernedering, trauma of confrontatie met de eigen sterfelijkheid of als een dergelijk verlies dreigt, en als zich dan een gelegenheid voordoet om dat verlies ongedaan te maken of te voorkomen, een kans om een uitermate belangrijk persoon te worden, een held of martelaar, terwijl je huidige omstandigheden hopeloos zijn, dan grijp je die aan. Stel, je bent jong, je economische en professionele omstandigheden zijn uitzichtloos en je krijgt de kans om in één klap onsterfelijk te worden. Wij noemen dit een gelegenheid voor significance gain. Betekeniswinst, of ongedaan maken van betekenisverlies, dat is hét motief voor zelfmoordterrorisme.”

Zo bezien is het niet zozeer een psychische stoornis die individuen ertoe brengt zichzelf en anderen om te brengen in een ultieme gewelddaad, maar een gebrek aan zelfrespect, een onverdraaglijk gevoel van vernedering of onbeduidendheid. En dat gevoel kan zijn ingegeven door heel verschillende, maar bijna altijd maatschappelijke omstandigheden.

Onvruchtbare vrouwen

Kruglanski: „In de Palestijnse gebieden zijn zelfmoordterroristen vaak mensen die hun gevoel van eigenwaarde, hun eer hebben verloren als gevolg van sociaal afwijkende eigenschappen of gedrag. Bijvoorbeeld kinderloze, onvruchtbare vrouwen. Dat is een stigma in traditionele samenlevingen. Of vrouwen van wie wordt gezegd dat ze buitenechtelijke seks hebben gehad. Of mensen die besmet zijn met het hiv-virus, of van wie dit wordt gezegd. Allerlei eerverlies drijft mensen om zich te ontdoen van hun stigma.”

Kruglanski wil zich als wetenschapper niet uitlaten over mensen van wie alleen fragmentarische informatie bekend is uit de media, zoals Bouhlel en Mateen. Maar hun gegevens, hoe summier ook, lijken naadloos te passen in het profiel van mensen met een sociaal stigma, die hun gevoel van eigenwaarde hebben verloren. Van lieden die alleen nog door een extreme gewelddaad, zoals massamoord met een vrachtwagen of een automatisch geweer, de aandacht op zich weten te vestigen.