Op weg naar Torez werden we gevolgd door een terreinwagen van de Seps.

De carrosserie van de SUV was zo grijs bepoederd dat alleen een met vochtige vinger op de motorkap geschreven woord zichtbaar maakte dat de laklaag eigenlijk zwart was. Het lukte me van de zenuwen niet om het cyrillische schrift in de achteruitkijkspiegel om te buigen naar een gewoon letterbeeld. De Mercedes hield halt voor het kleine station van Torez. De SUV stopte twee meter achter ons. ‘Gewoon uitstappen en zonder omkijken naar binnen,’ zei Pjotr. ‘Het wemelt hier van de OVSE’ers. De Seps zullen je nu niets doen.’

Ik gaf hem de sleutel van mijn hotelkamer in Donetsk, en verzocht hem mijn bagage daar op te halen. ‘Als het personeel naar me vraagt, zeg dan dat ik binnenkort terugkom, en dat de Nederlandse missie garant voor me staat. Krijg ik toestemming om met de koeltrein mee naar Charkov te reizen, dan ben ik vanavond op het station van Donetsk. Er zullen wel heel wat formaliteiten te regelen zijn, dus alle tijd voor jou om mij m’n koffertje aan te reiken.’

Ik betaalde Pjotr, in euro’s, ruimschoots voor zijn diensten. ‘Voorzichtig met het filmpje,’ zei hij. Een wonder dat de Seps me tot nu toe mijn smartphone niet hadden afgenomen, met daarop de door Pjotr geschoten beelden van de raketinstallatie. Ik zei: ‘Mochten we elkaar in Donetsk mislopen... ik kom hier zeker terug.’

‘Om je door de Seps te laten afknallen?’

‘Incognito. Zoals het hoort in een gemaskerde oorlog.’

Ik stapte uit. Twee rebellen, het hoofd verpakt in een zwarte bivakmuts, stonden al buiten hun auto, de kalasjnikov vredelievend schuin omhoog gericht. Naast de stationsingang stond een drietal OVSE’ers in kogelwerende vesten te roken. In de hal draaide ik me om voor een laatste groet. Pjotrs taxi stond er nog, maar dat belette de twee Seps niet om achter me aan te komen. Ik stootte de tochtdeuren naar het perron open. De koeltrein stond er nog steeds in z’n volle lengte, zilvergrijs glanzend in de ziedende middagzon, die de lucht boven de daken van de wagons deed kolken als een snelstromende beek. Ofschoon alle schuifdeuren dicht waren, sloeg de stank me onversneden tegemoet. OVSE’ers en forensisch experts stonden aan het andere eind van het perron samengedromd bij een blauwe locomotief die inmiddels voor de trein was gekoppeld. Gewapende Seps stonden er in een kringetje omheen, alsof ze de Nederlanders daar hadden samengedreven.

De twee gemaskerde krijgers grepen me beet, en sleepten me naar een wagon. Die ene hield mijn arm omkneld, onderwijl de schuifdeur aan de stang opentrekkend. Ik kokhalsde van de nieuwe golf lijkenlucht. Zelfs nu, in deze penibele positie, viel me op dat er nauwelijks condens mee naar buiten wolkte, wat bij een koelruimte toch normaal zou zijn geweest op zo’n snikhete dag. Voor ik er erg in had, klemden twee grote handen zich vast in mijn kruis, en zo werd ik de wagon in getild. Mijn blik schampte langs de onderkant van de deurlijst, waar verse leksporen verrieden dat de lijkenzakken vocht doorlieten. Ik kreeg een duw, struikelde naar binnen, en gleed uit over het glibberige langbouwplastic, dat zwart blikkerde in het binnenstromende zonlicht.

‘Laatste waarschuwing, coeilo,’ klonk het gesmoord uit een van de bivakmutsen. (Dat woord had op de motorkap gestaan, vrij vertaald: eikel.) ‘Mazepa had nog zo gezegd je nooit meer in de Volksrepubliek Donetsk te laten zien. Wen maar vast aan je eigen doodslucht daarbinnen.’

Toen schoof met een klap de deur dicht. De duisternis, de stilte en de stank van de doden. Ik zette me af tegen de stijve vorm van een lichaam, en krabbelde overeind. Voor hoe lang? Ik had de gewaarwording als kind een keer ondergaan in theater De Krakeling, waar mijn moeder me mee naartoe had genomen: een dreigend flauwvallen door warmte en zuurstofgebrek. Korrelig zwarte rouwfloersen opklimmend naar mijn blikveld – een soort fijnmazig net waarin ik naar beneden getrokken werd, totdat mijn moeder me nog net op tijd opving in een kortstondige sneeuwbui van opgeworpen popcorn. (O mama, waar ben je... in deze of in een volgende wagon?)

Zuurstofgebrek kon het niet zijn, want ik was hier het enige lichaam dat ademde, maar wat ik rook, was wel degelijk een gas dat ontsnapte uit menselijke resten in ontbinding, en kon me het bewustzijn kosten. Met de moed der wanhoop beukte ik net zo lang op de schuifdeur tot die openging. Ik keek in de blauwe ogen van de stationschef, die me boven zijn mondkapje in ontzetting aanstaarden, alsof zich onverhoopt nog een overlevende onder de doden bleek te bevinden.

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth. Per abuis is gisteren nogmaals de aflevering van dinsdag afgedrukt. Daarom aanstaande zaterdag een extra aflevering in deze bijlage.