Met Vonnegut door Dresden

Dresden is een van de mooiste steden van Duitsland, vindt . Sinds kort ligt kun je er rechtstreeks heen vliegen voor een literaire weekendtrip.

Zwinger Palace in Dresden Foto Getty Images

Je hebt in Europa lichte en blije steden (Barcelona, Kopenhagen, Parijs) en beladen, cultuurhistorisch zwaarwegende (St. Petersburg, Florence, Praag). Dresden hoort bij de laatste categorie. Sinds kort vliegt KLM er direct heen, de stad ligt nu binnen handbereik voor een weekendtrip. De stad is zwanger van cultuur en oorlog, van religie en wapengekletter en goudgerand porselein. De paleizen en kerken zijn gebouwd met donker gesteente, zwart van het lood dat erin zit. „Nee”, zegt de gids, „ze zijn niet vies”, en zucht, want dat is het eerste dat toeristen vragen, „waarom maken jullie de stad niet eens schoon?”

Ook de politiek weegt er zwaar. Pegida waart rond als een spook in de nacht. Deze Patriottische Europeanen tegen de Islamisering van het Avondland vond hier zijn oorsprong en dendert nog wekelijks met vlaggen door straten en over pleinen. De groep verzamelt rond de standbeelden van Frederik August de Sterke (1670-1733), koning van Polen, keurvorst van Saksen en Litouwen, de pracht- en praallievende, zwaar zuipende, vrouwenverslindende en kroostverwekkende (365 bastaardkinderen!) heerser die van Dresden de glorieuze barokke stad maakte die het nog steeds is, het Florence aan de Elbe.

Schat van de Elbe

Om echt van Dresden te kunnen genieten, moet je gelezen hebben. Maar bereid u voor op hel en verdoemenis. De meeste boeken gaan over oorlog en weinig over vrede. Het minst zwaarwegend schreef Karl May (1842-1912), auteur van Old Shatterhand en Winnetou. Westernboek De schat in het Zilvermeer had eigenlijk De schat van de Elbe moeten heten, want toen hij zo beeldend schreef over het Wilde Westen was hij daar nog nooit geweest. Hij schreef het allemaal thuis in Radebeul, een voormalig dorpje dat door het intussen uitgedijde Dresden is opgeslokt. De huilende wolven uit zijn romans staan opgezet in Villa Shatterhand – nu een museum – waar hij woonde.

De stad oogt oud, maar is nieuw, want in februari 1945 werd het nagenoeg plat gebombardeerd. Kurt Vonnegut repte in zijn beroemde roman over Dresden, Slaughterhouse Five, over 130.000 doden, terwijl historici het nu schatten op 25.000.

Na de oorlog werd de stad opnieuw gebouwd. „Diese Stadt gehört unter die schönsten Städte von Deutschland”, vond Schiller al, wiens adonisachtige gestalte in marmer uitgevoerd, ijdel staat te wezen op het Albertplatz.

Harry Mulisch’ Het stenen bruidsbed (1959) verhaalt over het na-oorlogse Dresden, toen de stad nog in puin lag, maar wie zich wil verbeelden hoe ze eruit zag ten tijde van Schiller en iets daarvoor, leze het vorig jaar gepubliceerde Goldberg van Bert Natter, waarin hij (fictief) het ontstaan van de fameuze Goldbergvariaties van Bach probeert te achterhalen. Hij beschrijft het dagelijks leven in de stad. En ook de misschien wel aller beroemdste engelen uit de schilderkunst, die twee onder de Sixtijnse Madonna (1512) van Rafaël. Iedereen kent ze van koekblikken, T-shirts en ijskastmagneten, die twee commercieel uitgemolken, verveeld voor zich uit kijkende hangbaby’s, de een met een vinger in zijn neus, de ander lamlendig hangend over de schilderijlijst, hun vleugels op non-actief. Schrijft Natter: „Zo groot – goddelijk volgens sommigen – Rafaël als kunstenaar was, niets menselijks was hem vreemd. Evenmin als wij allen, had Rafaël bij zijn leven het geluk gekend een engel in levenden lijve tegen te komen. We moesten het de kunstenaar dus maar vergeven.”

Nutteloze praalobjecten

Hoe anders is het gesteld met misschien wel de meest bizarre kunstcollectie van Europa, in Das Grüne Gewölbe, gelegen in het Residenzschloss. Frederik August verzamelde de hier tentoongestelde uitzinnige objets d’art. Het is de grootste en kostbaarste collectie ter wereld in zijn genre, maar ze is moeilijk te omschrijven: het zijn dingen, beeldjes, taferelen, decoratieve bokalen, torens, gemaakt van goud en zilver, marmer, parelmoer, ivoor, koraal en juwelen. Een oogverblindende overdaad aan nutteloze praalobjecten. Ik ben er dol op. Chopin niet: „Ik heb het gezien maar ga er nooit meer terug”, schreef hij erover. Natuurlijk zit er veel porselein tussen, want het beroemdste en oudste Europese porselein (Meissen, anno 1710) komt hier vandaan. Frederik August stond aan de bakermat. Hij gijzelde (letterlijk) twee Hollandse en een Duitse alchemist in de veronderstelling dat zij goud konden maken uit schroot. Dat lukte niet, maar ze waren wel de eersten die het al 1000 jaar geheim gehouden Chinese porseleinprocedé konden namaken. Friedrich Schiller vond het prachtig, Goethe vond er niks aan („Ik heb niets gezien dat men graag aan zijn huishouden zou willen toevoegen”, schreef hij in 1813) en Vonnegut beschrijft in Slaughterhouse Five hoe een Amerikaanse soldaat een theepot tussen de ruïnes vindt en meeneemt: „Hij kreeg een proces en werd gefusilleerd door een vuurpeloton”. Een historicus die het boek later onderzocht, ontdekte dat het hoogstwaarschijnlijk om een Meissen theepot ging van uitzonderlijke waarde.

„Meissen is to die for”, hoor ik een Engelse toeriste bewonderend tegen haar vriendin zeggen, lopend door de immense porseleincollectie in het Zwingermuseum. Als ze Vonnegut had gelezen, had ze geweten hoe waar dat is.