Knokploegen voor al uw zuiveringen

Turkije

Na de mislukte coup van vorige week lijkt president Erdogan steviger in het zadel te zitten dan ooit. Maar de stabiliteit die nu gesuggereerd wordt is schijn, betoogt socioloog Cihan Tugal in zijn heldere studie.

Officiële persfoto van Recip Tayyip Erdogan vijf dagen na de mislukte coup in Turkije ©

Een week na dato roept de mislukte staatsgreep in Turkije nog altijd meer vragen op dan antwoorden. Was de coup echt zo slecht voorbereid als achteraf het geval lijkt? Werd ze geleid door seculiere kemalistische groepen in het leger, door islamistische Gülen-aanhangers of door een alliantie van beide? Wist de Turkse veiligheidsdienst, één van de beste ter wereld, werkelijk van niets?

Het is onwaarschijnlijk dat zulke vragen spoedig beantwoord zullen worden, maar The Fall of the Turkish Model van socioloog Cihan Tugal biedt houvast. Hij gaat in op vragen als: wat voor land is Turkije überhaupt? Hoe kon het van een militaire dictatuur zo snel veranderen in een meerpartijenstaat, en vervolgens van een pluralistische seculiere parlementaire democratie in een islamistische executive presidency?

Een paar jaar geleden leek alles nog zo mooi. De regering van de AK-partij onder – toen nog – premier Erdogan voerde succesvolle economische hervormingen door die velen ten goede kwamen. En er kwam een reële verbetering in het naleven van de mensenrechten. Wanneer is het dan misgegaan, en waarom? Hoe kon Turkije in een paar jaar van een model voor de hele regio verworden tot een naar binnen gerichte autoritaire staat waarin islamistische knokploegen zelfs het leger de baas zijn?

Het is verleidelijk te denken dat de islam in Turkije nu zijn ware, ondemocratische gezicht laat zien; maar ook in niet-islamitische landen als Rusland en India ontwikkelen zich momenteel vergelijkbare autoritaire en moreel conservatieve regeervormen. Ook is Tugal niet geïnteresseerd in discussies over de persoonlijkheid van Erdogan of het democratische gehalte van het Turkse leger. Over geen van beide hoef je je veel illusies te maken. Evenmin zoekt hij zijn antwoorden in de Turkse cultuur of in de islam als religie; in plaats daarvan zoekt hij zijn verklaringen vooral in politieke en economische factoren. Dat is verhelderend en verfrissend. Bovendien bekijkt hij waarom vergelijkbare bewegingen in Iran, Egypte en Tunesië tot heel andere resultaten hebben geleid.

Islamitisch liberalisme

Het ‘Turkse model’ uit de boektitel bestaat uit een – vooral economisch – ‘islamitisch liberalisme’, gekenmerkt door een vrije markt, een meerpartijendemocratie en een conservatieve, maar burgerlijke vorm van islam. Begin 21ste eeuw, stelt Tugal met enige overdrijving, werd dit islamitische liberalisme in de westerse media en in de academische literatuur kritiekloos aangeprezen als een model voor het hele Midden-Oosten: het leek een vreedzaam alternatief voor zowel het revolutionaire Iran als Al-Qaeda.

De wortels van Erdogans autoritarisme liggen, ironisch genoeg, in de militaire staatsgreep van 1980. Om een aantal radicale markthervormingen door te kunnen voeren vervolgde het leger de – sterke en seculiere – arbeidersbeweging, en moedigde het de ontwikkeling van een conservatieve en gedepolitiseerde vorm van islam aan. Dat moest het onder jongeren populaire communisme tegengaan. Zo stelden de seculiere generaals islamitisch godsdienstonderwijs verplicht op alle scholen.

Tugal laat zich vooral leiden door de Italiaanse denker Antonio Gramsci (1891-1937). Dat leidt af en toe tot tamelijk abstracte passages waarin de ‘passieve revoluties’ en de ‘subalterne groepen’ je om de oren vliegen. Ook schetst hij zijn vergelijking van vier landen, bijna onvermijdelijk, in soms wel erg grove lijnen. Zo schrijft hij dat de economische hervormingen van de vroege AKP-regering de banden met het IMF slechts versterkten; in werkelijkheid betaalde Turkije in deze tijd zijn torenhoge schulden versneld af, juist om onafhankelijker van het IMF te worden. Ook is hij erg cynisch over de reële verbeteringen van de vroege AKP-regering.

Verhelderend is vooral Tugals gebruik van Gramsci’s notie van de ‘politieke samenleving’. Waar het begrip van de civiele samenleving de suggestie wekt van een democratische buitenpolitieke sfeer, staan bij hem leiderschap en strategie centraal. Daarmee nuanceert hij het strikte onderscheid tussen staat en samenleving van veel politieke analyses. Bovendien bestrijdt hij het misverstand dat de seculiere Turkse staat wezensvreemd zou zijn aan de – vermeend eeuwig conservatieve en gelovige – Turkse samenleving.

De notie van de politieke samenleving geeft vooral een betere kijk op de grote rol van de – schijnbaar apolitieke – Gülenbeweging. Aanvankelijk steunde Gülen de opkomst van de AKP. Leden van zijn beweging waren, uit naam van het ideaal van ‘dienstbaarheid’ (hizmet), doorgedrongen in het leger, de politiemacht, en het docentenkorps, en hielpen bij zuiveringen in die instituties. Maar in december 2013 kwam het tot een spectaculaire breuk tussen Erdogan en Gülen. Sindsdien vervult de Gülenbeweging voor Erdogans aanhangers de rol van zondebok.

Het Turkse model bereikte zijn hoogtepunt aan het begin van de Arabische lente in 2011. Onder de opstandelingen – veelal gematigde, civiele islamisten – en algemener onder de Arabische intelligentsia werd de Turkse islamistische meerpartijenstaat gezien als een goed alternatief voor de seculiere Arabische dictaturen. Maar op langere termijn, betoogt Tugal, waren het juist de Arabische revoltes die het Turkse model ondermijnden, deels doordat ze er niet in slaagden het te kopiëren. In Egypte werden de Moslimbroeders verzwakt door hun rivaliteit met de salafisten; in Tunesië werd de al-Nahda-partij uitgedaagd door de (seculiere) vakbonden. De grote winnaar in de huidige Arabische chaos, concludeert Tugal, is niet het Turkse of Turks geïnspireerde islamitische liberalisme, maar Saoedi-Arabië, dat juist de meest anti-liberale vormen van de islam belichaamt.

Binnenslands waren volgens Tugal de Gezi Perk-protesten van 2013 een keerpunt. Tot Erdogans ontsteltenis keerden hier juist de middenklassen, die van de markthervormingen hadden geprofiteerd, zich tegen zijn neoliberale regime.

Hoe moet het nu verder? Erdogan lijkt na de mislukte coup sterker in het zadel te zitten dan ooit. De laatste onafhankelijke machtscentra zijn ontmanteld of zwaar aangeslagen, de Koerdische politieke oppositie is in het nauw gedreven en de persvrijheid is zwaar beknot. Maar als je Tugal en anderen mag geloven is ook deze stabiliteit schijn. De couppoging heeft de Turkse economie een zware klap gegeven; volgens sommige economen wankelt de – schijnbaar succesvolle en stabiele – economie al geruime tijd. Klopt Tugals analyse, dan kan Erdogans huidige autoritarisme net zo goed door een economische crisis worden ondermijnd als zijn aanvankelijke islamitische liberalisme door de economische groei werd gesterkt. Maar dat zijn langetermijnscenario’s. Op kortere termijn is er weinig reden om te verwachten dat de repressie en de zuiveringen af zullen nemen – integendeel.