Waar kan je nog lege stranden vinden?

Stille stranden bestaan nog, ook langs de drukke, volgebouwde Nederlandse kust. „Het is een behoorlijke wandeling, bijna een fitnessoefening. Maar dan heb je rust.”

Tussen Noordwijk aan Zee en Zandvoort in, waar zomers auto’s vol badgasten in files naartoe rijden, ligt een strand waar het altijd rustig is. Hier kom je niet met de auto, zelfs niet met de fiets. Er zijn geen cafés, geen wc’s, geen strandstoelen om te huren. Er zijn geen herkenningspalen of parasols. Alleen zee, zand en duinen. Alleen de zon en de wind.

Vanaf de parkeerplaats bij de Noordwijkse Golfclub is het ongeveer een half uur lopen door duingebied Hollands Duin. Af en toe knispert een fietser langs over het grindpad. Als het pad ophoudt, en de fietsers hun fiets moeten parkeren, begint de klim: een laatste, steil duin omhoog; zand tussen de tenen. Dan de afdaling. En de zee.

John de Maat (59) en Rita van Galen (56) komen al zo’n dertig jaar in dit gebied. Ze vinden het een heerlijk strand. „Het is een behoorlijke wandeling, over dit duin zonder betonplaten. Bijna een fitnessoefening.” zegt De Maat. „Maar het is het waard. Het is hier heerlijk rustig.”

Wie vanaf het brede strand in zuidelijke richting kijkt, ziet de vlaggen van de strandtenten in Noordwijk wapperen. Ten noorden ligt de drukke Langevelderslag en daarachter Zandvoort – een van de drukste stranden van Nederland. Op warme, vrije dagen is uit de verte een dampende wolk mensenlichamen te zien. En er staan dan kilometers file. Als het heel warm is, en veel mensen zijn vrij, meldt de ANWB soms wel zeventig kilometer ‘strandfile’ door het hele land. De NS zet extra treinen in, bezoekers klagen dat ze geen parkeerplek kunnen vinden en bij echt grote drukte wordt zelfs verzocht van bepaalde stranden weg te blijven. Op luchtfoto’s zijn dan nauwelijks lege stukken zand te zien.

Op dat soort topdrukke dagen is het op dit strand bij Noordwijk „gewoon gezellig”, zegt Harry, 65, die met zijn vrouw vanaf het duin het strand oploopt. Hutjemutje zit je hier nooit. Vandaag, een doordeweekse dag en achttien graden, zijn er zo’n tien mensen. Je moet nu eenmaal een heel stuk lopen om er te komen. En dat willen mensen niet.

„Het strand is altijd anders. De kleurschakering van de zee, de woestheid van de golven. De ribbelingen in het zand. De kleur van de lucht, de hoek van de wind. „Als je hier ’s avonds loopt, is het alsof je een hele andere wereld betreedt”, zegt Harry. „Er landt een soort rust over het strand. Dat is prachtig.”

Hier vind je nog de lege stranden, al zijn ze een eindje lopen (tekst gaat verder onder de afbeelding):
Studio NRC

Ze komen uit de omgeving van Utrecht. In de zomer zitten ze hier, behalve met slecht weer. Dan wandelen en fietsen ze en bezoeken ze alle stranden in de omgeving. Katwijk, Noordwijk, Langevelderslag, Zandvoort, Wassenaarseslag, Duindamseslag. In Katwijk leerde Harry als kind de weidsheid en de stilte van het strand kennen. „De zee”, zegt hij, „dat blijft toch trekken. Het bos is leuk hoor, de polder. Maar het strand, dat heeft iets magisch. Vooral dit soort steile duinen vind ik fantastisch.”

Een bolderkar vol strandspullen rolt de duinen op, getrokken door drie mannen. Voor de kar loopt een jongen met twee volle jerrycans limonade in de hand. „Wie had ook alweer bedacht dat we dit zouden meenemen?”, mort hij. Een paar honderd meter voor hem lopen Max, Jeff en Jordi, uit de derde klas van de Thorbecke Scholengemeenschap uit Zwolle. Ze zijn hier op schoolkamp, vertellen ze. Ze slapen in het nabijgelegen hostel en doen allerlei sportactiviteiten. Vinden ze het leuk? Nee! – maar ze lachen nog wel. „We willen naar huis. Het is net een strafkamp!”

Voor een kopje koffie gaan John de Maat en Rita van Galen naar Langevelderslag, het strand ernaast. „Noordwijk heeft toch wel een heel toeristische uitstraling”, zegt De Maat. „Net als Katwijk. De meeuwen pikken er de kibbeling uit je handen.”

Niet zo van mensen

Dat is ook de reden dat Ruud (54) en zijn vriendin (52) vanuit Utrecht hier naartoe zijn gekomen. Ze zitten in de buurt van de duinpan, naast elkaar, hun blik op de zee gericht. „Ik ga niet in de file staan om vervolgens met zijn allen op een strand te gaan zitten”, zegt Ruud. Zijn vriendin: „Als er maar niet te veel mensen zijn. Wij zijn niet zo van mensen.”

Een stuk verderop rennen twee golden retrievers. Ze horen bij Jan en Rinie, gepensioneerd en uit het Noord-Brabantse Nuenen, die hier ’s zomers op een camping in de buurt staan. Vorig jaar vervingen ze hun tourcaravan met grote voortent voor een stacaravan. Ze hadden genoeg van het afbreken en schoonmaken van hun verblijf, elk jaar weer. „Dat is zo veel werk!”,zegt Rinie. „We hadden houten vlonders, een keukenblok. En je verzamelt een heleboel hoor, in tien jaar tijd.”

Rinie verveelt zich nooit op het strand. Zojuist nog vond ze „een heleboel leuke dingen”, die ze bij de caravan bij haar andere vondsten zal leggen. Grote krabbepoten, allerlei soorten schelpen, het eikapsel van een pijlstaartrog. Een zeemansknoop en een gedroogde krab vol pokken. „Ik vermaak me hier de hele dag mee. Keileuk.”

Ze ruimt het strand ook op. Vandaag verzamelde ze al drie grote zakken rommel. Vooral plastic en andersoortige troep waaraan je je voeten kunt openhalen. Het werkt verslavend, zegt ze. Jan: „Als ik zeg dat ik ga, gaat zij nog even een rondje maken.”

Ze vinden het hier prachtig. Lezen, door de branding lopen, boterhammen mee. Als ze naar Zandvoort door de duinen fietsen, zien ze – links, rechts, voor, achter – alleen maar duin. De andere kant op, richting Scheveningen – ook geweldig. Zoeken ze reuring dan zijn Haarlem en Leiden dichtbij. Pas zagen ze een aangespoelde zeehond. Het bleek nummer 57, een bekend exemplaar, die al jaren tussen Den Haag en Den Helder zwemt en geregeld aanmeert op een strand om uit te rusten. „Hij is mensen gewend”, zegt Jan. „Hartstikke tam, je kon hem zo aanraken.” Ze zien ze vaker bij stranden: zwarte glanzende koppies die boven het water uitsteken.

Straks komt een van hun twee zoons naar het strand, Jochem (32). Hij heeft het syndroom van down en woont bij hen. „Hij kan heel goed zwemmen”, zegt Jan, „maar ging altijd te ver.” Noodgedwongen verzonnen ze toen dat er een potvis in het water zit en hingen er een foto van in zijn kamer. Sindsdien blijft hij op veilige afstand. „Je wilt hem vrij laten opgroeien, maar het moet wel veilig zijn.”

Soms, zegt Rinie, vragen mensen onderaan de andere kant van het duin of het nog ver lopen is. Ja, antwoordt ze dan, het is wel even klimmen. En dan komt de vraag: is er ook een paviljoen? Nee, dat is er niet. „En dan draaien ze om.”

„Dat is het grote voordeel”, zegt Jan. Rinie: „Wij houden van deze rust. Je moet er even voor werken, maar dan heb je ook wat.”