Wielershirtjes slijten in de rondes

Reportage Wielerprullaria

De Italiaanse oud-renner Gianni Marcarini reist al jaren door de wielerwereld om zijn waar te verkopen aan de fans.

Gianni Marcarini verkoopt oude wielerspullen aan de voet van de Mont Ventoux, tijdens de twaalfde etappe van deze Tour. Foto BAS CZERWINSKI / ANP

Op een parkeerplaats in Andorra la Vella gaat de schuifdeur van ‘Hotel Mercedes’ open – zo mag hij zijn gedeukte bestelbusje graag noemen. Op een houten plateau liggen de resten van een broeierig nachtje – een deken, een slaapmatje en een fles water. Tweehonderd dagen per jaar is dit de slaapkamer van de 76-jarige Gianni Marcarini, in de jaren zestig teamgenoot van grote renners als Jacques Anquetil, Jean Stablinski en Raymond Poulidor.

Sinds 1980 reist hij het peloton achterna. Maakt niet uit waar ze zijn, Marcarini staat bij de start en de finish. In het achterste compartiment van zijn bus ligt zijn voorraad: wielershirts, bidons, petjes – zakken en kledingrekken tot aan het dak. Het populairst zijn de shirts uit de gloriedagen van het Franse wielrennen die hij van foto’s uit zijn archief liet namaken. Hij hangt ze aan een haak en pakt een vergeelde foto. „Kijk, dat ben ik. En dit is het shirtje dat ik toen ook droeg, maar dan gloednieuw.”

Toen de Giro in mei in Apeldoorn startte, verkocht hij in drie uur voor 3.000 euro aan prullaria. In een goede Tourweek verdient hij nog geen 500 euro. Voor de Tour krijgt hij al jaren geen officiële accreditatie meer. Het zou hem een ton kosten en dat geld heeft hij niet. Daarom staat hij op parkeerplaatsen, verdekt opgesteld tussen de bussen van de grote ploegen. De meeste wielermensen weten heel goed wie ‘Marca’ is, die gedrongen man met het zilveren sikje. Een enkele ploegleider heeft nog met hem gefietst. Ze stoppen hem vaak spullen toe. Van IAM Cycling kreeg hij net een zak bidons om te verkopen. Op het prijskaartje dat er nu aanzit staat 25 euro.

Armlastig kereltje

Tussen 1961 en 1978 was Marcarini een begenadigd sprinter. Hij won naar eigen zeggen 86 criteriums, rondjes om de kerk in Nederland, ‘Kermesse’ in Frankrijk. Een lucratieve business in die tijd, zeker voor een Italiaan die als armlastig kereltje van dertien via Sicilië naar Parijs trok om bij zijn oom in diens sanitairwinkel te gaan werken. Met dat werk kon hij zich amper bedruipen, maar met de tussensprints en bij elkaar geschraapte premies had hij niet te klagen. Ze noemden ze hem in Frankrijk ‘Josh Randell’, naar het karakter in de serie Wanted: Dead or Alive – als hij schoot was het altijd raak.

Als renner met een contract verdiende je nooit wat Marcarini in een jaar verdiende. Hij vertelt over de wielermaffia, die hem voor een criterium benaderde en hem geld bood als hij bepaalde premies liet liggen voor zwakkere renners. Het had alles met gokken te maken, en hij kon des te beter in zijn bestaan voorzien. Daarom stelde hij het leven als prof zo lang mogelijk uit. Hij had ook geen zin om zo lang te trainen als de ronderenners. Hij kon sprinten, hij hoefde geen uren te fietsen.

De Tour reed hij nooit. Als Italiaan in Frankrijk had hij zich moeten naturaliseren tot Fransman, want tussen 1930 en 1961 werd de Tour in landenteams verreden. „Als ik dat toen had gedaan had ik moeten vechten tegen de Algerijnen. Nou, mooi niet.”

In 1961 werd hij toch prof, 21 jaar. Tot die tijd had hij een baantje in een ijzerfabriek, hij fietste ernaast. Hij was opgevallen door in een talententeam als sprinter de bergtrui te winnen in de etappekoers Parijs-Nice. Helyett-Fynsec, de ploeg van toen al tweevoudig Tourwinnaar Jacques Anquetil, bood hem een vast salaris, meer dan hij als amateur verdiende. Hij accepteerde, want had inmiddels ook twee kinderen te voeden.

Marcarini was lid van het peloton toen doping nog uit amfetamine en alcohol bestond. „Ik heb Tom Simpson zien zwalken op zijn fiets nadat hij weer een pastille nam, op honderd kilometer voor de finish. Iedereen deed het in elke wedstrijd. Ik ook. Je nam zo’n pil, je voelde je euforisch worden en je demarreerde.”

In 1970 was Marcarini op zijn best. Zijn profcontract had hij ingeleverd omdat hij zich niet kon schikken in de rol van knecht – helemaal niet toen hij de kansen op een podiumplaats in de Ronde van Lombardije had moeten laten lopen toen hij moest wachten op zijn kopman Raymond Poulidor. Marcarini was een winnaar. En niet zonder resultaat: vijftien keer startte hij dat jaar en vijftien keer kwam hij als eerste over de finish. Zijn mooiste overwinning was die in de Grand Prix Plouay 1970, waar hij zes man versloeg die een week later streden om de wereldtitel in Leicester, Engeland.

Italiaanse onderdelen

Als renner was Marcarini al een klein handeltje in Italiaanse fietsspullen begonnen. Onderdelen van het Italiaanse merk Campagnolo waren vermaard, maar amper te krijgen in Frankrijk. Marcarini had als geboren Italiaan zo zijn adresjes en smokkelroutes in de buurt van San Remo. Renners wisten hem ook na zijn carrière te vinden. „Eddy Merckx kwam een paar keer per jaar bij me langs voor stuurpennen van Cinelli. Hij wilde alleen het allerbeste materiaal. En via mij hoefde hij geen belasting te betalen. Voor Joop Zoetemelk kon ik in Italië ook spullen regelen.” Met zijn handen doet hij alsof hij een injectie in zijn arm zet. „Als bedankje kreeg ik al zijn wielershirts. Ik heb ze goed verkocht.”

Aanvankelijk draaide Marcarini zijn nering vanuit huis, in Hennebont, Bretagne. Maar in 1975 kocht hij een winkelpand en doopte het ‘Cycles Marcarini’ – hij heeft het nog altijd. Niet veel later zag hij tijdens een criterium hoe ongelooflijk goed de petjes van Raymond Poulidor werden verkocht. Hij propte zijn Peugeot 403 helemaal vol met spullen uit zijn winkel en reed naar de eerste wedstrijd die hij op de kalender kon vinden. „Ik verdiende meer dan ik in de winkel ooit had gedaan.”

De Peugeot werd een bus, waarmee hij in 1980 voor het eerst achter de Tourkaravaan aanreed. Op het hoogtepunt had hij veertien man in dienst. In 1994 veranderde de toenmalige Tourbaas Jean-Claude Blanc de regels en moest Marcarini een vermogen gaan betalen voor een accreditatie. Sindsdien verkoopt hij illegaal. „Maar dit is wat ik het liefst doe. En ik blijf het doen zolang ik leef, vanuit mijn eigen eensterhotel.”