Stop met al die sportmetaforen op het werk

Vijf mythes ontkracht Iedereen wil wel ‘scoren met een winnaarsmentaliteit’. Maar aan al die blije sportkreten heb je op je werk niet zoveel, schrijft wetenschapper Ger Post in zijn pas verschenen boek Stalen Zenuwen.

Illustratie Gijs Kast

Als de teamspirit even ontbreekt op de afdeling, zou je kunnen overwegen sprintster Dafne Schippers in te huren voor een praatje. Ze komt dan spreken over ups en downs, grenzen verleggen en de wil om te winnen. Wie meer wil weten over persoonlijke ontwikkeling en passie kan oud-schaatser Erben Wennemars inhuren. Of oud-zwemmer Pieter van den Hoogenband, die komt vertellen hoe hij zijn grenzen verlegde. Topsporters zijn gewilde sprekers in het bedrijfsleven. Want als er iemand een uitgebluste groep medewerkers weet te motiveren, moet dat wel een sporter zijn. Met hun ‘winnaarsmentaliteit’. Met ‘scoren’. Met ‘doorgaan tot op het randje’. Met ‘een tandje bijschakelen’ en ‘gaan voor de overwinning’.

„Het klinkt allemaal heel sexy en motiverend,” zegt Ger Post, docent cognitieve neurowetenschap aan de UvA en auteur van het net uitgekomen boek Stalen Zenuwen. Hij onderzocht de afgelopen drie jaar wat klopt van sportmetaforen. „Topsporters zijn toch onze moderne helden: ze kunnen iets buitengewoons, en zullen daar dan wel de tactieken en vaardigheden voor hebben ontwikkeld waar wij wat van kunnen leren. Daarom luisteren we er graag naar.”

Ook op het werk. „De hele maatschappij is steeds meer op een competitie gaan lijken. We kunnen inmiddels alles kwantificeren: van het aantal likes op sociale media tot wie het snelste, beste of efficiëntste was op werk,” zegt Post. „En als je eenmaal in termen als winnaar en verliezer gaat denken, wil je zelf bij de winnaars horen. En daarom nemen we winnaars in de sport vaak als voorbeeld.”

Neem het typische sportinterview na een gewonnen wedstrijd. De sporter – nog helemaal in extase – moet uitleggen waarom hij nu gewonnen heeft, en komt met antwoorden als ‘zelfvertrouwen, ging lekker, in een flow’. Maar psychologisch onderbouwd zijn de antwoorden natuurlijk niet. „Het klinkt lekker, maar is vrij loos als je dit gevoel als basis gaat zien voor een goede prestatie onder druk”, zegt Post. „Dit soort lessen kunnen zelfs de druk verhogen. Als iemand tegen je zegt dat je op een bepaald moment ‘boven jezelf uit moet stijgen’ zorgt dat alleen nog maar voor extra druk als het dan niet lukt. Dan ga je denken dat je een soort gave mist, en sta je jezelf in de weg met dit soort ideeën.”

Daarom, vijf sportmythes waar je je niks van aan moet trekken.

Mythe 1. Van grote druk word je beter

Basketballer Michael Jordan wist altijd vlák voor het einde van de wedstrijd te scoren. Of denk aan het Duitse voetbalteam, waarvan we zeggen dat ze altijd de beslissende doelpunten in de laatste minuut maken. „We willen graag geloven dat er mensen zijn die op een beslissend moment boven zichzelf uitstijgen”, zegt Post. „Maar het zijn de verwachtingen van het publiek, tegenstander en coaches die zo iemand naar grote hoogtes brengen. Basketbalcoaches trainen hun teams bijvoorbeeld op tactieken die erop gericht zijn dat zo’n bijzondere speler vaker de bal krijgt op een beslissend moment. Het gevolg is dat hij vaker de kans krijgt dan zijn medespelers om te scoren.”

Hetzelfde geldt op de werkvloer: er zijn geen mensen die dankzij grote druk beter worden. Post: „Een geldbonus zorgt er niet voor dat iemand beter gaat presteren, zoals sommige CEO’s beweren. En de druk van de deadline zorgt er ook niet voor dat iemand creatiever wordt.”

Mythe 2. Trainen voor een stress-situatie heeft geen zin

Eind jaren 90 had het Nederlandse voetbalelftal last van het ‘penaltyspook’. Post: „We geloofden met z’n allen dat we niet goed waren in strafschoppen nemen. Trainers spraken over een ‘loterij’ en zeiden dat trainen voor strafschoppen toch geen zin had omdat de spanning van de wedstrijd niet na te bootsen is in trainingen. Dat is een besmettelijk verhaal, want uiteindelijk was bijna iedereen die bij het Nederlands elftal betrokken was het eens dat op strafschoppen niet te trainen viel.” En op corners of verdedigingstactieken trainden ze wél.

Post: „Die aangeleerde hulpeloosheid helpt je niet verder natuurlijk. Als je denkt dat je het niet kunt, lukt het je ook niet, omdat je stopt met proberen.” Denk aan een sollicitatiegesprek, illustreert Post. „Misschien gaat het gesprek in de praktijk nooit zo goed als je hoopt, maar dat wil nog niet zeggen dat trainen je niet beter maakt.”

Mythe 3. Stress? Pak een meditatiemomentje

De laatste jaren is mediteren ook in de sportwereld normaal geworden. Volgens de verhalen zouden golfer Tiger Woods en oud-tennisser Richard Krajicek veel aan zenmeditatie doen. „We hebben vaak het idee dat we eerst de stress weg moeten halen met bijvoorbeeld meditatie-oefeningen,” zegt Post. „Maar door meteen een oplossing te zoeken voor stress, verdwijnen de oorzaken die een prestatie moeilijk maken naar de achtergrond.” Zo heeft stress over een presentatie bij de een te maken met de angst voor een kritische vraag, bij de ander met tijdsdruk, en de derde is zenuwachtig omdat hij voor een publiek staat. „Als je dat allemaal onder de noemer stress plaatst, mis je de factoren die je eigenlijk zou kunnen oefenen,” zegt Post. Zoals je inhoudelijk beter voorbereiden zodat je kritische vragen kunt pareren.

Mythe 4. Zorg dat je in een flow komt

Na afloop van een gewonnen wedstrijd zeggen sporters soms dat ze in een ‘flow’ zaten. Alles ging lekker en vanzelf, en dat zorgde ervoor dat ze konden winnen. Dus komen mensen met het advies dat als je op het moment supreme goed wilt presteren, je eerst in een flow moet komen. „Maar het kan ook precies andersom zijn: hun goede prestatie zorgde ervoor dat ze in een flow raakten”, zegt Post. „Sommige sportpsychologen zeggen dat om in een flow te raken, je het gevoel moet hebben dat je alles onder controle hebt. Maar dat is nu juist het probleem op beslissende momenten: je hebt lang niet alles onder controle. Door op lastige momenten jezelf ook nog eens te dwingen in een flow te raken, maak je het jezelf nog lastiger.”

Mythe 5. Zelfvertrouwen is álles

„Eén avond Studio Sport kijken, en je denkt dat het allemaal om zelfvertrouwen draait”, zegt Post. Op vragen van journalisten zeggen sporters min of meer hetzelfde: ze begonnen de wedstrijden vol zelfvertrouwen, tijdens de wedstrijd was het belangrijk zelfvertrouwen te houden en hoe hard ze ook verloren, de volgende wedstrijd zien ze weer met zelfvertrouwen tegemoet. „Door de nadruk op dat zelfvertrouwen te leggen, heb ik het idee dat mensen zich verliezen in het opbouwen van het daarvan, zónder dat ze daadwerkelijk beter presteren. Je kunt beter aan je vaardigheden werken, dan aan het vertrouwen in je vaardigheden.” Dus liever die presentatie een paar keer oefenen voor de spiegel of voor een groep mensen, dan jezelf voorhouden dat je er met zoveel zelfvertrouwen staat. „En als je dan alles heel goed deed, zeggen mensen vanzelf: goed hoor, dat je daar met zoveel zelfvertrouwen stond.”