Nadat ze haar minister van Defensie had uitgezwaaid, zat Lina Kosinski bedrukt in de lounge aan de thee.

Toen ik vroeg of ik bij haar mocht komen zitten, stuurde ze me tot mijn verrassing niet weg. Ik zei: ‘Vergeef me dat het me opviel, maar het leek daarnet wel een afscheid voorgoed.’

‘Posjlost is teruggeroepen naar Moskou,’ zei ze kortaf. Ze vroeg me of ik haar naar een kerk in het centrum van Donetsk wilde vergezellen. ‘Onderweg kunt u me vragen stellen.’

Ze trok me achter zich aan het kille halfduister van het godshuis in, wat ik niet onaangenaam vond, want buiten was het loeiheet. Lina wierp zich voor het kruisbeeld neer, en liet een poos haar voorhoofd op de koude plavuizen rusten. Na het opstaan gedroeg ze zich als een kind met buikpijn. Ze legde een hand over haar navelstreek en zakte, wankelend, licht door de knieën. ‘Het is er weer,’ fluisterde ze gejaagd. Ik nam aan dat ze Gods binnentreding in haar bedoelde. Met zwaaiend bovenlijf sloeg ze voor het crucifix meerdere malen een kruisteken, op orthodoxe wijze: van de rechter- naar de linkerschouder. Ik had nu wel drie meisjes op het altaar willen zien verschijnen, gemaskerd met hun eigen kleurige slipjes, waarin gaten voor de ogen waren geknipt, zingend op Russische punkmuziek uit een grote gettoblaster.

Buiten overweldigde haar de hitte. Ik ving haar nog juist bijtijds op. ‘Dat overkomt me nou altijd als God zich in me roert,’ murmelde ze op de achterbank van de taxi die ons terug naar het hotel bracht.

Misschien bedoelde ze niet alleen haar draaierigheid, want toen ik haar, na een worsteling in de lift, op de kamer had afgeleverd, wilde ze me niet meer laten gaan. In tangopose, Lina met achterover hellend bovenlijf, stonden we voor het bed. Op het hoofdkussen lag een verpakte kersenbonbon met een bloesemtakje van gesteven linnen ernaast. Clusterbommen van het Oekraïense leger daalden, dood en verderf zaaiend, op de buitenwijken van Donetsk neer, maar hier in hotel Donbas bloeide een nimmer verwelkende Japanse kers.

In de voering van mijn strohoed bewaarde ik een condoom van het nieuwe merk ZaniCon. Ik had gezworen (niet tegenover Branda) het alleen in noodgevallen te gebruiken, wanneer de sexuele prestatie een hoger (zeg, vaderlandslievend) doel diende dan louter lustbevrediging. Ik beschouwde het maar als een James Bond-speeltje, in stelling te brengen bij spionageactiviteiten als er weinig tijd of animo overbleef om een ontspannen voorspel mogelijk te maken. Op de bedrand gezeten keek Poolse Lina toe hoe ik de zilverige verpakking verwijderde. ‘Het is al gebruikt,’ zei ze met afkeer. ‘O ja,’ zei ik, ‘en dan stuur ik het terug naar de fabriek om het, met inhoud en al, opnieuw te laten verpakken. Ben je wel goed wijs? Wat je ziet, is een gel op basis van zanifil. Een stof die de bloedvaten verwijdt. Iets nieuws.’ ‘En dat moet je... inslikken?’ Ik werd geacht hier de vragen te stellen. Hoe eerder het karwei achter de rug was, des te beter. ‘Leegslurpen, als bij een oester. Nee, natuurlijk niet, stom varken. Het spul dringt binnen via de huid.’ ‘Wat is de truc dan?’ ‘Meer uithoudingsvermogen.’ ‘Geen compliment voor de vrouw als de man het niet redt zonder die troep.’ ‘Hij doet het voor haar. Ze zijn niet goedkoop.’

Lina nam het condoom met een vies gezicht uit mijn handpalm. Tussen haar spitse vingers zag het er opeens uit als het vers afgestoten popomhulsel van een grote vlinder. ‘Het is toch niet iets engs?’ ‘Alleen als het knapt. Welnee, het is ontwikkeld door een bekend Amerikaans farmaceutisch bedrijf. Gespecialiseerd in zinkzalf en zo. Naar antiek Romeins recept.’ ‘O, nee, ik wil niets in mijn lijf dat uit het misdadige Amerika komt. De islamieten smijten tenminste nog openlijk zoutzuur in het gezicht van een gevallen echtgenote. Amerika beschadigt vrouwen onder het mom van een of ander geneeskrachtig smeerseltje.’ Ze las hardop de Engelstalige gebruiksaanwijzing voor: ‘Als gevolg van de bloedvatverwijdende werking van zanifil kan de man na afloop van de coïtus last hebben van een lichte tot matige hoofdpijn.’ Naar de grimas op haar bleke gezicht te oordelen had ze hier schik in. ‘Wij vrouwen krijgen altijd hoofdpijn vooraf... en dan in plaats van.’ Humor had ze ook.

Het ijs leek gebroken, maar Lina piekerde er nog steeds niet over hand- en spandiensten te verlenen aan wat voor Amerikaans product ook. Wel overigens aan het onwillige vlees zelf, zodat ik na verloop van enige tijd zelf een ZaniCon op z’n plaats kon schuiven – en het omzichtige verhoor kon beginnen, met geen ander pressiemiddel dan het af en toe bestraffend inhouden van de lust.

‘Zeg, Lina, jij was daar toch ook, die middag van de crash... in het schooltje van de Seps bij Snizjne?’

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth