Julien

De houthakker is een boom van een vent. Hij heeft een baardje en een gezonde buitenkleur. Maurice heet hij, en zijn zoon is meegekomen. Hij zet een ladder tegen de esdoorn en knoopt een touw om de stam. Zijn zoon pakt het touw, loopt ermee naar de overkant van onze tuin. Daar bindt hij het vast aan een spanband die hij aan de notenboom bevestigt.

Maurice start zijn kettingzaag. Een scherp geratel klinkt over het land. Eerst zaagt hij een wigvormig stuk hout uit de stam, in de richting waarin de boom moet vallen. Dan gaat hij achter de boom staan en zaagt een diepe horizontale snede in het hout, naar de inkeping toe. Af en toe stapt hij opzij en kijkt omhoog.

Dan zet hij zijn zaag uit en loopt van de boom weg. Het is opeens bladstil. Hij kijkt nog een keer naar boven en maakt een gebaar naar zijn zoon. Die spant het touw aan. De stam begint licht te kraken. Dan zien we dat de kruin langzaam in beweging komt. Het kraken wordt heviger. De boom valt en even horen we het geluid van takken die de lucht doorklieven, alsof het waait. Een doffe dreun, en de esdoorn ligt op de grond. De mannen zagen de stam in stukken van een halve meter, zetten die rechtop en kloven ze met hun zware bijlen.

Als ze even pauzeren vraag ik aan Maurice of hij het gehoord heeft, van Rochard. Ja natuurlijk, zegt hij. Hij veegt zijn gezicht af, zet zijn bijl rechtop en leunt op de steel. „Julien. Zo’n aardige kerel. Met een lieve vrouw, en twee zoons.”

Ik vraag of hij hem al lang kende. Al twintig jaar, zegt Maurice. Ze hebben veel met elkaar gewerkt. Als er een stuk bos voor de houtkap werd vrijgegeven gingen ze er samen op af. Je had maar een paar dagen de tijd, dus je moest opschieten.

Rochard is de vijfde collega die hij is kwijtgeraakt. Hij somt ze op. Twee door bomen die vreemd draaiend naar beneden kwamen en de houthakker verrasten. Dan had je die boom die een andere boom meenam en een collega neermaaide. En een eik die veel eerder omviel dan verwacht.

En Rochard? Dat is een triest verhaal, zegt Maurice. „Ik was erbij. We waren met een man of acht aan het zagen in een bos bij Vervins. Essen, berken en eiken. Julien was er ook, met zijn zoon. Op een open plek werden de takken in de fik gestoken. Julien liep heen en weer naar de brandstapel. Op een gegeven moment kwam er weer een boom naar beneden. Niet eens een grote. Julien werd door een tak gegrepen en viel op de grond. Het zag er niet ernstig uit. Maar hij was met zijn hoofd op een steen terechtgekomen. Er kwam snel een ambulance, maar op weg naar het ziekenhuis is hij overleden.”

Misschien had Julien niet gehoord dat hij uit de buurt moest blijven, denkt Maurice. „Het is ongelooflijk triest. En dat het zijn eigen zoon was die die boom omzaagde, dat maakt het allemaal nog erger. Ik denk niet dat die ooit nog een zaag aanraakt.”

Hij wenkt zijn zoon, ze gaan weer aan het werk.