Huis voor een zwervende eenzaat

Beeldende kunst

Een nieuwe museumvleugel van Mu.ZEE en een expertisecentrum in Oostende eren de ‘onbekende’ Léon Spilliaert.

Léon Spilliaert, Zelfportret (1906) Foto Spilliaert Huis

Er zijn maar een paar brieven van hem bewaard, en in één ervan schrijft de Vlaamse symbolist Léon Spilliaert (1881-1946) het zo: ‘Mijn individualiteit is voor mij het enige dat telt. [...] Van alle andere dingen ben ik niet zo zeker of ze wel bestaan; ze zijn als een fantasmagorie.’ Het is 1925 en Spilliaert is op weg meer dan een ‘fantasmagorisch’ leven te leiden. In 1920 en 1922 neemt hij deel aan de Biënnale van Venetië, in Brussel is hij lid van de avant-gardistische kring rond dichters Emile Verhaeren en Maurice Maeterlinck en vertrouwd geraakt met het symbolistische werk van Redon. Hij is negen jaar getrouwd en heeft een dochtertje van zeven, met wie hij – op een van de weinig bewaarde foto’s – speelt op het strand van Oostende. Hij ziet er gelukkig uit.

Toch staat Spilliaert te boek als een somberman. Hij heeft de opvliegende aard van zijn vader en de melancholieke inborst van zijn moeder. Daarbij heeft de autodidact Spilliaert altijd last van maagpijn en slapeloosheid. Het is die cocktail van vervreemding, eenzaamheid, ziekte en frustratie die ervoor heeft gezorgd dat Spilliaert in vergelijking tot zijn twee stadgenoten Ensor en Permeke altijd een beetje een onbekende is gebleven. Waar Ensor de extraverte causeur en publiekslieveling is, daar is Spilliaert de bleke eenzaat die ’s nachts over straat en kades zwerft. En waar Permeke zich steeds fermer ontwikkelt tot een fiere Vlaamse expressionist, met doeken waar aan steeds zwaardere kluiten Vlaamse modder kleven, daar blijft Spilliaert hyperindividualistisch zijn symbolistische idioom trouw. Jaar in, jaar uit.

Om aan die relatieve onbekendheid definitief een einde te maken, zijn er in Oostende nu twee herdenkingsplaatsen geopend. De eerste en meest museale is in het Mu.ZEE, waar een compleet nieuwe vleugel permanent is gewijd aan het werk van zowel Spilliaert als Ensor. Het tweede is het onlangs door particulieren opgerichte Spilliaert Huis in de door zand en zout geteisterde Koninklijke Gaanderijen aan de Zeedijk.

De Gaanderijen, die de kunstenaar zo vaak vereeuwigde, is een passende locatie, maar ook een vervallen monument: voor een bibliotheek, publieksfaciliteiten en serieuze tentoonstellingen moet nog veel opknapwerk verricht. Op dit ogenblik zijn drie ruimtes provisorisch ingericht met zo’n dertig werken op papier. Conservator Anne Adriaens-Pannier, die in 2006 ook tekende voor het grote Spilliaert-retrospectief in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel, maakte de keuze.

Alle werken in het Spilliaert Huis zijn afkomstig uit particuliere collecties. Dat maakt de selectie wisselvallig. Een hoogtepunt is De Lichtboei uit 1910, een inkt- en pasteltekening waarop de nachtelijke hemel, de zee en het licht lijken te verkorrelen, alsof niets, zelfs niet licht en duisternis, blijvend zijn. Gashouders uit 1921 is een uitzondering binnen Spilliaerts oeuvre, omdat het wat sfeer betreft sterk aan het surrealisme van De Chirico doet denken. Gashouders is een mysterieuze combinatie van okergele flatgebouwen, een inktzwarte gashouder, een spookachtige hemel, herfstbladeren aan een boomtak, en dan schuin in het midden drie nonnen. Het is een grootsteeds maar toch weemoedig tafereel. Precies dat maakt Spilliaert zo’n sensitief talent.

In Mu.ZEE hangen de meeste hoogtepunten uit Spilliaerts oeuvre, samen met een enkele foto, een film over Oostende aan het begin van de twintigste eeuw, en de overvolle pasteldoos met op kleur gerangschikte krijtjes die Spilliaert in 1900 van zijn vader krijgt. Deze doos toont Spilliaerts precisie: elk flintertje pastel wordt bewaard, omdat je maar nooit kunt weten voor welke toonsoort het ooit gebruikt kan worden.

Die toon is eenzaam, verstikkend, efemeer. De vorm is sterk vereenvoudigd, zoals blijkt uit het schitterende Witte Gewaden (1912), een gouache waarop twee figuren met grote capes om en de wind in de rug één lijken te worden met het landschap. In een tekening als Vissersvrouwen op de kaai (1910) komt naar voren hoe eigenzinnig Spilliaerts perspectief is: soms snijdt hij voorwerpen bruut af in de voorstelling en soms – zoals bij de vissersvrouwen – tekent hij ze van onderaf de kademuur. Daardoor wordt de muur reusachtig en de vrouwen – met zedige inkijk onder hun rokken – extra fragiel. Alsof een windvlaag ze zo mee kan nemen.

Nieuwe museumvleugel gewijd aan Spilliaert en Ensor in Mu.ZEE, Oostende. Ontmoetingen met Spilliaert. Tentoonstelling t/m 1/10 in het Spilliaert Huis, Oostende. Inl: muzee.be