Benali maakt Marokko tot zijn eigen romantische verhaal

Dinsdag werd het slot van ‘Chez Benali’ uitgezonden. Abdelkader Benali toonde ons zijn gezin en het land waarvan hij houdt.

Chez Benali (KRO-NCRV)

‘Toen ik in de gevangenis zat”, vertelt Arjan Erkel aan de jonge vrouw die hij interviewt, „dacht ik alleen maar: ik wil naar huis, ik wil mijn vrijheid terug.” Erkel, die als Artsen zonder Grenzen-medewerker ruim anderhalf jaar lang gegijzeld werd in Dagestan, is nu programmamaker. In Vreemde tralies (EO) bezoekt hij gevangenen in den vreemde.

De 21-jarige Ardiona, een Nederlandse die wegens drugssmokkel in een Colombiaanse vrouwengevangenis zit, zit daar wel goed. In de buitenwereld had ze een roerige jeugd, een hang naar het illegale: „Wat de maatschappij uitspuugt wil ik graag om me heen hebben.” Nu, achter de tralies, is het veilig, rustig.

Het verschil met Erkel kon bijna niet groter.

Ardiona was fascinerend, eigenlijk iemand die een eigen documentaire verdient. Maar de tijd met haar was allicht beperkt, en het format van Vreemde tralies eiste dat cocaïnemetropool Medellín ook nog in beeld gebracht werd.

De gedachte achter Erkels rol is dat hij iets toevoegt omdat hij ‘weet hoe het is om opgesloten te zitten’. Maar dat wrong, in deze en vorige afleveringen: is gegijzeld worden wel vergelijkbaar met opgesloten zitten voor drugssmokkel? Er lijkt over die vraag heengestapt te zijn. Het werd noch Erkels, noch Ardiona’s verhaal, maar bleef hinken op te veel gedachten.

Iets vergelijkbaars, maar met een ander resultaat, was aan de hand met Chez Benali (KRO-NCRV), waarvan dinsdagavond het slot werd uitgezonden. Dat was een beetje een rommelig reisprogramma én een beetje een culinair programma. Uiteindelijk was het vooral goed en mooi als programma van Abdelkader Benali: laat een literair schrijver iets maken en het gaat (ook) over hemzelf.

Benali – die in Chez Benali met zijn vrouw Saida en babydochter Amber door Marokko reist, het land waar hun wortels liggen – is een groot romanticus. Een verteller, die niet terugdeinst voor grootse woorden die geuren en kleuren en buitelen en zweven: „Acrobaten, ze tarten de verbeelding en spreken de taal der dromen.” Daar zit je soms een beetje om te giechelen als kijker, net als Saida trouwens, maar Benali genoot hoorbaar en zichtbaar. Van de natuur, van de gerechten, maar ook van de Marokkanen die hij ontmoette, van boterkarner tot couscousrolster, met wie hij keuvelde en babbelde, waar hij dan zeer vrolijk van werd.

Hij toonde ons zijn gezin en het land waarvan hij houdt. En dan vooral het landelijke en idyllische Marokko – ook in moderne steden ging het vaak over traditie. Die hang naar romantiek heeft een functie, weten zij die zijn laatste boek kennen, het beklemmende en bevrijdende persoonlijke essay Brief aan mijn dochter. Daarin schrijft Benali over het gif dat hij in zijn leven geproefd heeft, omdat hij als Marokkaanse Nederlander uitsluiting en discriminatie ervoer. Maar hij beveelt zijn jonge dochter ook het tegengif aan: de verbeelding, de kunst.

Tussen de regels door zag je dat Benali Marokko een tikje romantiseerde, als een verhaal. Een mooi en genietbaar verhaal, zijn verhaal. Voor zijn dochter, en vele andere dochters.