‘Wij laten dieren zich zo dierlijk mogelijk gedragen’

Elvis Peeters

is het alter ego van schrijversduo Nicole Van Bael en Jos Verlooy. Zij mijdt de media, dus hij vertelt in z’n eentje over hun nieuwe roman Jacht. Die gaat over een jager, een melancholisch paard en een hond die van mensenvrouwen houdt.

Jos Verlooy, alias Elvis Peeters: ‘We wilden deze keer een grappiger, hilarischer boek maken’ Foto Koos Breukel

Elvis Peeters wordt bij onze ontmoeting vertegenwoordigd door Jos Verlooy. Al schrijvend bestaat Elvis Peeters eigenlijk uit twee personen, maar omdat Verlooys schrijfgezel en echtgenote Nicole Van Bael niet veel op heeft met contact met de media is zij thuis gebleven.

Je hebt dus slechts de helft van de schrijver voor je, maar je kunt je desondanks toch niet goed voorstellen dat er uit deze bedeesde man boeken voortkomen die voor sommigen te ver gaan. Toen in 2009 Wij verscheen, een roman over immorele jongeren die zich te buiten gaan aan grove seksuele en gewelddadige experimenten, oordeelde deze krant dat de roman ‘misselijkmakende scènes en ongeloofwaardige personages’ had en dat de schrijver uit was op effectbejag.

Peeters (1957) is een beetje schuchter, maar hij komt ook heel ethisch verantwoord en maatschappelijk betrokken over. Hij windt zich nog vóór het gesprek begint op over de Belgische overheid die vijftien miljard euro wil besteden aan gevechtsvliegtuigen.

Wie stilstaat bij Peeters’ oeuvre, ziet een ethisch motief. Hij wil bijvoorbeeld weten of een welvarende gemeenschap wel kan omgaan met een grote stroom vluchtelingen (De ontelbaren), of een boef op leeftijd last van berouw krijgt (Dinsdag) en of de opdracht waarmee we onze kinderen de wereld insturen wel deugt (Wij). Wat dat betreft is Peeters’ jongste roman een vreemde eend in de bijt. Het vorig jaar verschenen Jacht roept óók wel morele vragen op, maar is speelser en verbeeldingsvoller dan de meeste andere Nederlandse en Vlaamse romans uit het vorige kalenderjaar. In Jacht draait het om een kneus van een jager, om een well-dressed rottweiler met een voorliefde voor mensenvrouwen, een melancholisch paard en om een kwiek vosje.

Hoe kwam u erachter dat er ruimte was voor een roman over de geringe kloof tussen mensen en dieren?

„Die openingsscène met paard hebben we spontaan geschreven, we wisten eigenlijk niet goed welke kant het daarna op moest. We dachten even dat we misschien aan een kinderboek waren begonnen, maar dat vonden we uiteindelijk toch een te voor de hand liggende keuze. Het begon met het idee van de mens als bewoner in de multiculturele samenleving. Je hebt te maken met moslims, met joden, noem maar op, en al die mensen hebben stuk voor stuk een zelfbewustzijn, maar je hebt als individu eigenlijk geen idee hoe al die anderen in elkaar steken. Wat nu, dachten we, als we dat nog moeilijker maken en dieren van ze maken die allemaal een eigen plan hebben. Een vaag uitgangspunt, ik weet het, maar zo gaat het altijd bij onze boeken – we zien wel hoe we dat vervolgens literair voor elkaar krijgen. We wilden er in elk geval een gewone roman met personages van maken, geen allegorie. Geen Animal Farm, waarin dieren eigenlijk mensen zijn. De dieren moesten dieren zijn en zich zo dierlijk mogelijk gedragen. Geen paard dat zoals bij Toon Tellegen een taart kan bakken.”

Jullie hadden een basisidee, maar dus nog geen verhaalverloop voor ogen?

„Ons enige uitgangspunt is altijd het openen van een wereld die we zelf nog niet kennen. We gooien personages bij elkaar en zien wel hoe die zich tot elkaar gaan verhouden. Praktisch gezien begint het met het schrijven van een openingsscène. Bij Jacht ging het net als bij Dinsdag, waar we aanvankelijk ook niet meer hadden dan een oudere man die wakker wordt. Dan begint het slijpen. Oorspronkelijk kwam het paard in Jacht geen vos tegen maar een kameel. Dat was een heel fijn personage, die kameel, een fijn laconiek dier, maar die nam een rol aan die we niet konden gebruiken. Dus zat er niks anders op dan hem af te voeren.”

Zijn jullie dierenliefhebbers? Uit het gedrag van de parende rottweiler, die zich lijkt te schamen voor zijn daad, kun je afleiden dat jullie goed hebben bekeken hoe het er bij dieren aan toe kan gaan.

„Ik ben opgegroeid op een boerderij en was al elf toen we een tractor kregen, daarvoor werkten we met paarden. Dus de machines kwamen pas later. Nu hebben we kippen en een poes. Maar Nicole is allergisch voor kattenhaar, dus die poes is nauwelijks binnen. En we zijn ook geen lid van een dierenpartij of zo.”

Er komen mensen in de roman voor die bijna jaloers lijken op het leven dat dieren erop nahouden. Zo merkt een vrouw over vogelgetjilp op dat het ‘de ware klank van de ziel’ is.

„Wij zijn thuis omringd door het vogelleven. Het is fascinerend om naar ze te kijken. Zo’n beestje met een keeltje dat zingt… Zo’n vogel weet zijn weg in het leven goed te vinden. Dieren, tja, daar kun je jaloers op zijn. Er is alleen actie-reactie, ze kennen geen redenering, geen burn-out of al die mensenbeslommeringen. Al schijnen chimpansees wel rouwprocessen te kennen. We hadden vroeger een merel in de tuin met een witte staart, dus die viel op, als een soort halve albino. Hij zat altijd aan het randje van de vijver. En op een dag, toen Nicole en ik ergens aan het fietsen waren, toen zagen we hem plots bij andere mensen in de tuin zitten. Wat moet die daar, riepen we verontwaardigd. Dat is ónze merel! Maar zo’n beestje kent geen grenzen, ze gebruiken de wereld veel terloopser dan wij.”

Klopt het dat ‘Jacht’ meerduidiger is dan jullie eerdere werk?

„Jacht is het boek dat het moeilijkst tot stand kwam. We wilden iets nieuws doen. Je stuit op moeilijkheden, maar het is ook interessant, want je werkt met een andere gelaagdheid. Bij De ontelbaren werkten we met zo’n dwingend thema dat de roman als vanzelf een blok graniet werd.”

Hoe is dat in z’n werk gegaan met ‘Wij’, jullie meest omstreden roman over losgeslagen tieners?

„Wij had twee aanleidingen. De openingsscène, waarin meisjes hun ontblote geslacht tonen aan voorbijrazende automobilisten, is uit het leven gegrepen. Nicole en ik waren voor vakantie op weg naar Italië, toen we in Duitsland meisjes zagen die halfnaakt op een viaduct stonden. Wat bezielt ze, vroegen we ons af. Daarnaast zagen we op tv een BBC-reportage waarin de rechtspersoonlijkheid van bedrijven onderzocht werd door een team van criminologen, psychologen, sociologen en economen. Als we bedrijven zouden definiëren als personen, met wat voor type zouden we dan te maken hebben? De conclusie was dat ze stuk voor stuk als psychopaten betiteld zouden worden. Wij dachten: als de huidige samenleving zo doordrongen is van de economische gedachte, wat zou dat dan betekenen voor pubers die in deze wereld terechtkomen, die gevoed zijn met het ideeëngoed van psychopaten, waar leidt dat toe? We zijn toen kranten gaan lezen en internet gaan afstruinen, op zoek naar incidenten waar het gedrag van jongeren werd beschreven. Het resultaat is dat 95 procent van wat in Wij staat zijn bron heeft in anekdotes, uit de realiteit.”

Jullie ontvangen elf jaar na de verschijning nog steeds veel lof voor ‘De ontelbaren’. Tommy Wieringa noemt die schets van een oncontroleerbare vluchtelingenstroom ‘de dystopische roman die ik graag had willen schrijven’. Hebben jullie het met het oog op de actualiteit niet te vroeg geschreven?

„Misschien was het verkooptechnisch beter geweest als het boek nu pas zou verschijnen. Maar het is in 2005 goed besproken en het is bijvoorbeeld ook opgemerkt door de Libris-jury, die het op de shortlist plaatste. Als we het nu hadden geschreven zou het veel te plat op de realiteit zitten. We zitten meer met de verfilming in onze maag. Er hebben zich verschillende cineasten aangediend die het wilden verfilmen. Maar nu kan dat boek niet meer verfilmd worden, want de beschreven situatie is realiteit geworden.”

Het verontrustende aan ‘De ontelbaren’ is de kwantiteit van de vluchtelingen: als er genoeg mensen komen begint alles in het land van aankomst te wankelen.

„Als je ziet wat er in Europa gebeurt, dan kun je niet anders concluderen dan dat we het niet aankunnen. Turkije moet het voor ons oplossen, dat land is een soort ingehuurde grensbewaker. Ik geloof dat als je de mensen van mens tot mens laat komen er wel spontane behulpzaamheid, menselijke solidariteit ontstaat. Maar het is vooral dat we gekleurd naar vluchtelingen kijken. Politici dragen daar een grote verantwoordelijkheid voor. Een op een zouden we allemaal een ander helpen.”

Denkt u dat echt?

„Kijk naar die bootjes die twee jaar terug op Lampedusa aankwamen. Veel mensen die daar met vakantie waren hielpen spontaan. Dat is wel onze middenklasse hè, die daar op het strand ligt. Maar eenmaal terug in België of Nederland reageren die mensen opeens anders op het woord ‘vluchteling’.”

Maar in ‘De ontelbaren’ verloopt het scenario heel anders.

„Het is nu nog niet zo erg als in het boek. Het boek kan nog voorkomen worden.”

De romans van Elvis Peeters verschijnen bij uitgeverij Podium.