Parasitaire bezigheid

Sommige mensen haatten hem. Anderen droegen hem op handen. „Je had de intelligente en geïnteresseerde tv-interviewer en je had de dwangmatige provocateur”, schreef collega Bas Blokker op 2 november 2004, de dag dat filmmaker Theo van Gogh werd vermoord in de Amsterdamse Linnaeusstraat. Over Van Gogh als dwangmatig provocateur is veel gezegd en geschreven. Dat geldt niet voor Van Gogh de tv-interviewer, die tussen 1989 en 1997 honderden mensen bevroeg in Een prettig gesprek.

Op 23 juli zou Van Gogh 59 jaar zijn geworden. En alsof toeval niet bestaat stuitte ik onlangs in een boekwinkeltje op een bundel uitgeschreven interviews die hij tussen 1989 en 1992 voor Een prettig gesprek opnam. Interviewen vond Van Gogh eigenlijk „een parasitaire bezigheid” schrijft hij in het voorwoord. Maar het verveelde hem nooit, want „ieder mens dat je beter leert kennen, is de moeite waard”. Wie Een prettig gesprek leest, ziet en hoort Van Gogh er in gedachten bij. Leunend op zijn rechterelleboog, een sigaret quasi-nonchalant tussen de vingers geklemd. En in onderbroek, onthult hij. „Want juist voor de camera tekent een ongelukje zich haarscherp af.”

Of Van Gogh „de beste interviewer van Nederland” was, zoals de achterflap meldt, valt te betwisten, maar spraakmakend was Een prettig gesprek zonder twijfel. Als we Van Gogh mogen geloven werden Hilversumse tv-bonzen maar wat zenuwachtig van zijn „showtje”, waar geen publiek of voorgesprek aan te pas kwam. Op goede dagen was Van Gogh een vlijmscherp interviewer. Dan bouwde hij gesprekken zorgvuldig op, door te charmeren en te provoceren. Op zoek naar inconsistenties en valse pretenties. „Heeft u weleens een overspelige gedachte waar u later om huilt”, vraagt hij oud-EO-presentator Henk Binnendijk – die volmondig met ja antwoordt.

Origineel zijn zijn openingsvragen:

„Ben jij een fatsoenlijke jongen?” (tegen Theodor Holman).

„Iemand leeg laten lopen, wat is dat?” (tegen Ischa Meijer).

„Je bent er veel vrouwelijker uit gaan zien” (tegen Bettine Vriesekoop).

Van Gogh lijkt het allemaal ter plekke te verzinnen, maar uit zijn voorwoord blijkt dat hij de gesprekken goed voorbereidde. „Als interviewer moet je mensen soms op gang helpen. Soms ook niet; ik herinner mij nog levendig hoe we in een massage-instituut Joost Zwagerman bereid vonden plaats te nemen op een hometrainer waarvan de pedaaltred door een knopje in mijn hand zwaarder kon worden gemaakt. En dat gebeurde dus bij ieder, naar mijn zin, fout antwoord.”

Juist die afwisseling tussen charmeren en provoceren leidde tot grote of kleine ontboezemingen. Maarten ’t Hart zegt dat hij vooral vrouwenkleding draagt als hij zich depressief voelt. Erwin Olaf spoelt liefdesscènes meestal door als hij een film huurt („dat verveelt me, het is bijna altijd hetzelfde”). Zwagerman vertelt dat hij in de eerste klas van de lagere school met goedkeuring van zijn ouders werd vastgebonden door de juf omdat hij verveeld door de klas wandelde; hij had zichzelf op zijn derde al leren lezen.

Natuurlijk zijn er ook gemiste kansen. Want hoe werd Ischa Meijer als kind gechanteerd door zijn ouders en waarom roept Herman Brood op vakanties in het buitenland op dag twee al dat hij Herman Brood is? Die vervolgvragen zullen nooit meer gesteld of beantwoord worden.