In Overijssel lijkt de tijd stil te staan

Op de Steile Oever even buiten Ommen laat ik het jachtige leven van de Randstad achter me. Een slingerpad volgt de meanderende Regge en voert me naar landgoed Eerde. Dertig jaar geleden ging ik er op de thee bij barones Erin van Pallandt om haar te spreken over de theosofische ‘wereldleraar’ Krishnamurti, die het landgoed in 1923 van haar vader cadeau kreeg om er het hoofdkwartier van de Internationale Orde van de Ster van het Oosten (Krishnamurti was die ster) te vestigen. Sinds 1932 is er een school gevestigd, met een bewogen geschiedenis tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Even verderop loop ik een dijkje op. Achter een haag van bomen strekt zich een veld vol paarse bloemen uit. Schapen staren me aan. Op de andere oever van de rivier grazen koeien als op een schilderij van Jan Steen.

De tijd staat hier stil, zeker als ik mijn omgeving vergelijk met het landschap dat Jacob van Lennep beschrijft in zijn reisdagboek uit 1823, toen hij een voetreis door Nederland maakte. In Overijssel zag hij hetzelfde als ik: „Een mooie landstreek met een aangename afwisseling van korenvelden en weilanden”, „prachtige slingerpaden, grote vijvers gelegen tussen mooie eikenbomen en sparrenbosjes” en „een kerktorenspits die in een korenveld omhoog steekt”.

Alleen als een autoweg mijn wandelpad kruist, ben ik even terug in 2016. Maar nadat bij een ijskraampje de 15-jarige, ijverig bolletjes scheppende verkoper me vertelt dat hij 17 procent van zijn dagomzet mag houden en later „iets met economie” wil gaan doen, besef ik dat ons land nog altijd een natie van hardwerkende kruideniers is. Het ‘verdienmodel’ van premier Rutte blijkt een eeuwenoude traditie.

Van Lennep, die begin juli een standbeeld kreeg in Amsterdam, was onder de indruk van de zuivere mensen die hij in Overijssel ontmoette: „Over het algemeen zijn in deze provincie het karakter en de moraal van de inwoners oneindig veel minder bedorven dan in Friesland of Groningen of in de meest westelijk gelegen provincies.”

Aan het einde van de dag, na zevenentwintig kilometer te hebben afgelegd, bereik ik Hellendoorn, een dorp met 6.000 inwoners. De lokale VVV bevestigt mijn voorgevoel: „De tijd lijkt hier stil te hebben gestaan”, om eraan toe te voegen dat het er „desondanks door het jaar heen bruist van de activiteiten”. De voornaamste daarvan is een pretpark.

Aan de rand van het dorp laat een vrouw haar hond uit. Ze woont al 51 jaar in Hellendoorn en vindt het er heerlijk. Alleen met die twee asielzoekersfamilies in haar straat heeft ze weinig op. „Die passen hier niet zo”, zegt ze met een moederlijke glimlach. Maar verder heeft ze niets te klagen, want in haar wereldbeeld is amper iets veranderd.

Michel Krielaars (m.krielaars@nrc.nl) vervangt Tom-Jan Meeus in de wisselcolumn met Jannetje Koelewijn.