Boeken

Humor en realisme voerden boventoon in poëzie Hans R. Vlek (1947-2016)

De in 1947 in Amsterdam geboren dichter en beeldend kunstenaar Hans R. Vlek overleed afgelopen vrijdag.

Dichter Hans Vlek (1947-2016)

‘Poëzie is de verwoording / van mijn eenzaamheid’, dichtte Hans Vlek in 1965 in zijn debuut Anatomie voor moordenaars. De in 1947 in Amsterdam geboren dichter en beeldend kunstenaar Hans R. Vlek overleed afgelopen vrijdag. De ‘R’ bij zijn naam voegde hij pas in 1986 toe, toen hij een comeback maakte met De goddelijke gekte. Jarenlang had hij gezwegen, reizen gemaakt naar Marokko en Turkije, en religieuze verkenningen gedaan in de moskee en de Hervormde Kerk in Den Bosch.

Humor en realisme

Hans Vlek begon als dichter van realistische poëzie, enigszins in de traditie van het tijdschrift Barbarber. Het duidelijkst verwoordde hij dat in het gedicht ‘Kies e.a.’ uit de bundel Iets eetbaars (1966). Dat gedicht opent met de regels ‘Niet de poëzie / maar de realiteit / van het boerend en hoestend, / ademend leven’, waarna een reeks beslommeringen uit het dagelijks leven volgt (ontwaken met een ontstoken kies, de geur van sokken, een aspirientje, het lenen van geld). Humor en realisme voerden boventoon in de bundels, die door critici vooral gewaardeerd werden omdat hij brak met poëzietradities.

Anders dan de Barbarberdichters, die in hun tijdschrift bijvoorbeeld behangpapier opnamen bij wijze van themanummer, werd Vlek als minder abstract en persoonlijk gezien. Men vermoedde altijd nog een kleine zweem romantiek. De grap verwerkte hij ook letterlijk in gedichten, zoals in ‘Op en neer’ uit Iets eetbaars. Hierin dicht hij: ‘Dit is geen gedicht / maar een grapje. De titel echter / refereert niet aan de beweging / die vrouwen en mannen maken / in bed, of in ’t gras achter de duinen. // Geilaards slaan de plank mis. // De titel is de weerslag / van een regelmaat die ik ontdekte / toen ik vanmiddag in de zon / op m’n rug in de tuin lag / en over mijn borst naar m’n tenen keek.’ Een droog, inderdaad Barbarer-achtig observatievermogen.

Spottende kijk

In de bundel Een warm hemd voor de winter (1968) en de verzamelbundel Zwart op wit (1970) wordt de werkelijkheid steeds nadrukkelijker vormgegeven: de kunst legt het af tegen de werkelijkheid, vatte dichter en academicus Redbad Fokkema de vroege periode van Vlek in het Kritisch Literatuur Lexicon samen. Voor Een warm hemd in de winter kreeg Vlek de Reina Prinsen Geerligs-prijs en de Jan Campert prijs.

Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig volgen nog wel twee bundels (De toren van Babbel – 1979; Onnette sonnetten – 1980), maar die werden erg slecht ontvangen en konden achteraf volgens Vlek zelf ook niet door de beugel. Zijn spottend kijken naar de wereld maakte bij de hernieuwde Hans R. Vlek in 1986 plaats voor een dichterlijke blik die op zoek ging naar de verwoording van een mythe, hoewel de humor gehandhaafd bleef. ‘Verheugd vier en voed ik / mijn haat voor ’t rijm dat / denken en dichten verknipt. / Sonnetten als bossen snijbloemen,’ dicht hij in De goddelijke gekte. Zijn laatste bundel, Hunnenhekel, verscheen in 1996

Vormgeving

Hoewel in zijn vroege werk ook vragen werden gesteld over wat de rol van de poëzie was binnen de werkelijkheid, ging hij na 1986 steeds fanatieker op zoek naar de rol van poëzie en vooral hoe die vormgegeven moest worden. In een gedicht over een bordeel liet hij alles met de letter ‘b’ beginnen. In De goddelijke gekte dichtte hij over de mogelijkheid om een gedicht zonder woorden te schrijven:

Een gedicht zonder woorden:
een prachtig vel bankpost,
witte kerstaquarel,
evangelie van beschaafde snit
voor de goede verstaander die
zelfs het halve woord te veel is.

Een gedicht zonder woorden,
onmogelijke droom des dichters:
ode in monochrome tekens
aan de schoonheid van dit:
witte leesbaarheid zonder stem,
doodskleed van de betreurde mummie,
de aan zichzelf gestorven dichter.

En blanco testament
betreffend de nalatenschap
van een puik en eeuwig wasmiddel:
een gedicht zonder woorden.
Doe het maar na.

‘De dood hoort niet tot mijn kennissenkring’, schreef Vlek in het gedicht ‘Duurzaam materiaal’. Laten we hopen dat hij desondanks hartelijk is ontvangen.