Dit is allemaal werk van één kunstenaar

Retrospectief

Als kind kon Francis Picabia al heel knap kopiëren. Nu wordt hij geen plagiator meer genoemd, maar wordt hij gezien als een kunstenaar die met al zijn stijlbreuken zijn tijd ver vooruit was.

Die impressionistische gevel van de Notre-Dame in Parijs, dat moet een Monet zijn. En die zonnige baai van Saint-Tropez, vastgelegd in blokkerige verftoesten, dat is vast en zeker een Cézanne. De verwarring is groot, in de eerste zaal van het grote retrospectief van Francis Picabia in het Kunsthaus Zürich. Even denk je op de verkeerde verdieping te zijn aanbeland – die waar de ontwikkeling van impressionisme naar pointillisme en fauvisme wordt uitgelegd. Maar nee, dit zijn geen Sisleys en Signacs, geen Gauguins en Toulouse-Lautrecs. Onder ieder schilderij prijkt de handtekening van één en dezelfde kunstenaar: Francis Picabia.

Toen Picabia (1879-1953) in de eerste jaren van de twintigste eeuw zijn impressionistische doeken inzond naar de Parijse Salons, spraken de critici er schande van. Hij werd als een kopiist gezien, een navolger, iemand die zijn schildersezel schaamteloos op precies dezelfde plek had neergezet als Monet. Er werd zelfs gesproken van plagiaat. In werkelijkheid schilderde Picabia zijn landschappen en stadsgezichten niet en plein air, zoals de impressionisten, maar gebruikte hij gewoon foto’s als voorbeeld.

Nu, een dikke eeuw later, zijn de meningen over Picabia radicaal bijgesteld. De Franse kunstenaar, vooral bekend geworden vanwege zijn bijdrage aan de Dada-beweging, wordt inmiddels gezien als een van de grote vernieuwers van de twintigste eeuw. Op de tentoonstelling in Zürich wordt hij neergezet als een pionier, een conceptuele kunstenaar die met zijn pastiches op impressionistische meesterwerken zijn tijd ver vooruit was. Dat toe-eigenen van de schilderstijlen van anderen deed Picabia namelijk bewust. Zo bezien zou je hem een vroege voorloper kunnen noemen van ‘appropriation artists’ als Richard Prince, Jeff Koons of Sturtevant.

Onze hoofden zijn rond zodat onze gedachten van richting kunnen veranderen, zo luidt de (vertaalde) titel van dit omvangrijke retrospectief, dat ruim tweehonderd werken omvat en in het najaar door zal reizen naar het MoMA in New York. Het is een van Picabia’s gevleugelde uitspraken. „Je moet ideeën als hemden verwisselen, om telkens schone te hebben”, zo luidt een andere Picabiaanse wijsheid.

Luisterend naar pseudoniemen als Funny Guy, Udnie of Pharamousse was Francis Picabia een kunstenaar die zichzelf keer op keer opnieuw uitvond – als kubist en dadaïst, als dichter en filmmaker, als uitgever en illustrator. Het ene moment schilderde hij volkomen abstracte stippen en strepen, om vervolgens over te stappen op hyperrealistische portretten. Wanneer je door de zalen dwaalt, of bladert door de voortreffelijke catalogus, kun je haast niet geloven dat al dat werk door één persoon is gemaakt. „Een serie caleidoscopische experimenten”, zo noemde Marcel Duchamp de carrière van zijn boezemvriend. Zelf zei Picabia in 1923: „Ik hoop dat ik op een dag op de muur van mijn huis kan schrijven: ‘Kunstenaar in alle genres’.”

Niemand zag het bedrog

Als enig kind van een welgestelde, in Cuba geboren Spaanse vader en een Franse moeder, groeide Picabia op in Parijse aristocratische kringen. Het verhaal gaat dat de jonge Picabia al kopieën maakte van de schilderijencollectie van zijn vader en de originelen verkocht om zo zijn postzegelverzameling te kunnen uitbreiden. Niemand merkte iets van het bedrog, totdat Picabia er zelf over begon, trots op zijn technisch kunnen. Dankzij het kapitaal van zijn familie had hij de vrijheid om onbekommerd aan zijn carrière als kunstenaar te werken. Speelsheid, frivoliteit en humor vormen een constante factor in zijn oeuvre, hoewel hij ook een zwaarmoedige kant had en er periodes waren waarin hij kampte met depressies. In zijn kunst, zo zei Picabia in een interview in 1924, zocht hij naar „het plezier dat vergelijkbaar is met een mooie liefdesnacht, met de lust van je te vlijen in de zon, of van 120 rijden in een auto”.

Gedurende de roaring twenties en de jaren dertig leidde Picabia het leven van een playboy. Hij verzamelde sportauto’s, woonde op een jacht dat voor anker lag tegenover het casino van Cannes en organiseerde luxe soirees voor de jetset van de Rivièra. In de catalogus staat een hilarische foto die Man Ray in 1924 van de kunstenaar maakte, scheurend in een racewagen. ‘Picabia en grande vitesse’, schreef de fotograaf met krulletters onder het onscherpe beeld. Picabia wilde schilderen zoals hij autoreed: snel en wendbaar, met een noodvaart door de kunstgeschiedenis. Rusteloos was hij, en prettig gestoord.

Vele jaren voordat de Amerikaanse kunstenaar Robert Rauschenberg er bekend mee werd, maakte Picabia al assemblages waarbij hij voorwerpen op het doek plakte. Met tandenstokers, touw en knoopjes componeerde hij in 1924 een bloemstilleven. Op een portret van een dame (La Femme aux alumettes, 1924-1925) vormen luciferhoutjes haar strak gekamde kapsel, terwijl om haar nek een collier prijkt van echte muntjes. En de Promenade des Anglais in Nice, een week geleden nog het decor van een bloedige aanslag met een vrachtwagen, beeldde Picabia rond 1925 af als een verlaten, autoloze boulevard. De palmboompjes, die er nog iel en vers geplant uitzien, knutselde hij met veertjes en macaroni in elkaar. De lijst is, nogal decadent, geheel bekleed met slangenleer.

De surrealistische film Entr’acte uit 1924, die hij samen met regisseur René Clair maakte, is misschien wel het mooiste voorbeeld van Picabia’s knotsgekke fantasie. Op zenuwachtige muziek van Erik Satie zien we hoe een springende Picabia een kanon laadt, hoe een kameel een lijkwagen trekt, en hoe een huppelende stoet rouwenden de achtervolging inzet als die kist van een berghelling rolt. Alles is schots en scheef gefilmd, met beelden die draaien en over elkaar heen geplakt zijn. Je zou het videokunst kunnen noemen, ware het niet dat dat medium nog moest worden uitgevonden. Volgens Picabia was de film een vertaling van zijn dromen, maar het kan ook heel goed dat de hallucinaties geïnspireerd waren door het gebruik van opium, de drug die de kunstenaar in deze periode bijna dagelijks tot zich nam.

Zijn mierzoete periode

Na een fraaie serie portretten uit de jaren dertig (van onder meer Gertrude Stein en Marlene Dietrich) vliegt Picabia in de oorlogsjaren opeens gierend uit de bocht. In een mierzoete stijl die je doorgaans alleen aantreft op de covers van streekromannetjes, schilderde hij rond 1942 verliefde stelletjes en naakte of in jarretels gehulde dames. De voorbeelden haalde hij uit softpornoblaadjes als Paris Sex Appeal. Het zijn schilderijen die gevaarlijk flirten met de sociaal-realistische stijl die de nazi’s propageerden, gemaakt door een kunstenaar die ogenschijnlijk last heeft van een midlifecrisis. Maar zoals vaker bij Picabia is onduidelijk wat nu precies ironie is en wat niet. Maakte hij edelkitsch voor het Derde Rijk of moet je zijn werk als camp opvatten? Wat conservatief oogt kan bij hem net zo goed een radicaal statement zijn.

In oktober 1944 werd Picabia door de Franse autoriteiten gearresteerd op verdenking van collaboratie, maar ook snel weer vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Wie zijn oeuvre bekijkt, krijgt in ieder geval geen uitsluitsel over het politieke standpunt van de kunstenaar. Een schilderij als Printemps (1942-1943) heult met de körperkultur die we kennen uit de nazipropagandafilms van Leni Riefenstahl. Maar daar tegenover staan dan weer een doek als L’Adoration du veau (1941-1942), waarvoor een foto van de Joodse fotograaf Erwin Blumenfeld als voorbeeld diende, en dat je zou kunnen zien als een parodie op Hitler – met handen die een nazigroet brengen aan een kalfskop.

Als er één conclusie te trekken is uit deze rijke tentoonstelling, dan is het dat Picabia niet in hokjes te duwen is.

Hij is een kunstenaar die altijd tegen de stroom in heeft gezwommen, die realistisch bleef werken toen de Cobra-kunstenaars met hun abstracte verfstreken de bevrijding vierden, maar die met zijn monochrome stippelschilderijen uit 1949 ook een inspirator was voor kunstenaars als Yves Klein, Lucio Fontana en Jasper Johns. Voor Picabia is abstractie nooit een dogma geweest, hij zag het modernisme niet als een eenduidige, progressieve ontwikkeling. Die rechte lijn van impressionisme naar kubisme en De Stijl kon wat hem betreft net zo goed weer omgedraaid worden.

In de catalogus worden hedendaagse kunstenaars als Peter Fischli, David Salle en Gary Hume aangehaald, die allen zeggen dat het werk van Francis Picabia voor hen een eye-opener was. Toen de Duitse schilder Gerhard Richter in 1970 Picabia’s tentoonstelling in het Guggenheim Museum in New York bezocht, waar voor het eerst ook zijn kitscherige schilderijen uit de oorlogstijd getoond werden, was dat voor hem een revelatie – de ontdekking dat je als kunstenaar best abstract én figuratief werk kunt maken, dat het een het ander niet hoeft uit te sluiten.

Hier, op deze tentoonstelling in Zürich, wordt duidelijk dat Picabia met al zijn stijlbreuken zijn tijd ver vooruit was. In die zin is dit retrospectief een serieuze rehabilitatie.